| Minister Donner in MvT over het vervallen van AOW-opbouwrechten voor uitpandigen in verband met de verhoging van de AOW-leeftijd (tot 67 jaar): " Het wetsvoorstel is ter toetsing voorgelegd aan de SVB. Op 15 oktober 2009 heeft de SVB een uitvoeringstoets op hoofdlijnen uitgebracht. Hierin stelt de SVB dat het invoeringspad uitvoerbaar is . De SVB vraagt aandacht voor personen die verzekerd waren voor de AOW tussen 15-17 jaar en die blijvend naar het buitenland zijn geëmigreerd. Omdat zij, anders dan ingezetenen of personen die werken in Nederland, geen AOW kunnen opbouwen tussen 65 en 67 jaar ontvangen zij tot maximaal 4% minder AOW-pensioen dan in de huidige situatie. De SVB heeft ernstige twijfel bij de juridische houdbaarheid van deze keuze. De regering is een andere mening toegedaan en stelt zich op het standpunt dat deze keuze juridisch houdbaar is omdat er geen strijdigheid bestaat met het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens (EVRM). Tot op heden betreft de EVRM-jurisprudentie slechts inbreuken op opeisbare uitkeringsrechten (reeds toegekende uitkeringen). Een opeisbaar recht op een AOW-pensioen ontstaat pas wanneer men de AOW-gerechtigde leeftijd heeft bereikt. AOW-opbouwjaren vormen geen opeisbaar recht. Daarnaast is voldaan aan de voorwaarden die het EVRM stelt voor het inbreuk maken op de als eigendomsrecht te kwalificeren wettelijke uitkeringsrechten. Voorts verwacht de regering dat het gemaakte onderscheid door de rechter niet aangemerkt zal worden als een belemmering voor het vrije verkeer van werknemers. Immers het feit dat verschillende lidstaten verschillen in hun sociaal stelsel, betekent dat er altijd marginale voor- of nadelen zijn bij het verhuizen van de ene lidstaat naar de ander. Daarnaast is op voorhand niet duidelijk of het gemaakte onderscheid voor- of nadelig uitpakt. Dit is namelijk afhankelijk van het pensioenstelsel van het land waar men heen gaat en van de wijze waarop de pensioenrechten daar worden opgebouwd. Tot slot is relevant dat, steeds meer Europese landen hun pensioengerechtigde leeftijd gaan verhogen of dit naar verwachting zullen gaan doen. Dit aansluitingsprobleem wordt daardoor steeds kleiner. Verder merkt de SVB op dat de gevolgen die het wetsvoorstel heeft voor de internationale verplichtingen die Nederland is aangegaan in de memorie van toelichting ontbreken. In antwoord hierop merkt de regering op dat zowel EU, normverdragen (ILO, Europese Code) als de bilaterale socialezekerheidsverdragen zich niet verzetten tegen een verhoging van de AOW-leeftijd, zoals in voorliggend wetsvoorstel, is neergelegd. De Inspectie Werk en Inkomen geeft in de uitvoeringstoets aan geen opmerkingen te hebben. " |
| Het lijkt me dat er met dit standpunt van het kabinet een nieuwe doelgroep voor SBNGB en landenverenigingen geschapen is: de emigranten die in Nederland tussen 15 en 17 jaar verzekerde jaren AOW hebben opgebouwd, thans nog jonger dan 55 zijn, maar vanaf 2020 zijn geemigreerd (voor hun 65ste). Die groep zal ten dele nu al geemigreerd zijn. Zij zullen de verzekerde periode tussen hun 15de en 17de verliezen en daardoor t.z.t. (na 2020 bij 66, in 2025 bij 67 jaar worden) een korting krijgen op hun AOW van eerst 2% maar uiteindelijk 4%. Dat komt doordat de opbouwperiode van verzekering verschuift van 15-65 jaar naar 17-67 jaar met de verhoging van de AOW-leeftijd. De SVB acht een dergelijke korting internationaalrechtelijk kennelijk niet toelaatbaar, SZW wel. Merk daarbij op dat degenen die niet emigreren niet met een dergelijke korting geconfronteerd zullen worden, aangezien het verlies aan verzekeringsperiode aan de voorkant (van 15-17 jaar) louter alleen al op ingezetenschap in Nederland gecompenseerd wordt met de verzekeringsperiode aan de achterkant (van 65- 67 jaar) Het lijkt me dat SBNGB en landenverenigingen reeds nu, namelijk tijdens de behandeling van het wetsontwerp in de Tweede Kamer, zouden kunnen aandringen dat minister Donner van zijn standpunt terugkomt. Daarbij gelden drie overwegingen: 1. het is beslist niet zeker dat SVB ongelijk heeft in zijn standpunt dat dit internationaalrechtelijk ontoelaatbaar is. Wat het gemeenschapsrecht betreft stelt het kabinet zich op het standpunt dat dit verlies voor migranten nu eenmaal voortkomt uit de verschillen tussen nationale sociale zekerheidsstelsels. Van belang lijkt me echter, vanuit gemeenschapsrecht bezien, de vraag of hier geen sprake is van (indirecte) discriminatie van emigranten tov niet-migranten door Nederland zonder objectieve rechtvaardigingsgrond. Dit nog los los van de beoordeling van deze zaak in het licht van mogelijke ontneming van eigendomsrecht als geformuleerd in de bepalingen van het EVRM. 2. een compromis-oplossing zou gevonden kunnen worden in verhoging van de opbouwperiode van 50 tot 52 jaren. In de MvT wordt dit beginsel echter verworpen (met name omdat het een verzwaring van de opbouw betekent, en omdat het administratief lastiger is), zonder daarbij het internationale aspect echter te betrekken. 3. een oplossing zou ook kunnen zijn per 2020 een overgangsrecht in te stellen van de facto ongeveer 35 jaren voor vanaf 65 jaar buiten Nederland wonende personen waarbij voor hen de verzekerde jaren tussen 15 en 17 jaar niet verloren gaan. |
| Wat 1. hierboven betreft. Het risico van indirecte discriminatie naar nationaliteit bestaat bij deze maatregel en dat is in strijd met art. 3 van Vo1408/71). Immers de kans op (retour) migratie bij niet_Nederlandse ingezetenen naar hun thuisland is groter dan de emigratie van Nederlanders (op welke leeftijd dan ook). De kans dat niet-Nederlanders/emigranten getroffen worden doordat ze het verlies aan verzekeringsjaren tussen 15 en 17 later niet meer kunnen compenseren tussen 65 en 67 jaar is dus groter dan bij Nederlanders/emigranten. Zouden de nu nog jongere (potentiele) remigranten dit niet reeds nu moeten aangrijpen om een briefje aan de Tweede Kamer te sturen? |
| Citaat: " Tot op heden betreft de EVRM-jurisprudentie slechts inbreuken op opeisbare uitkeringsrechten (reeds toegekende uitkeringen). Een opeisbaar recht op een AOW-pensioen ontstaat pas wanneer men de AOW-gerechtigde leeftijd heeft bereikt. AOW-opbouwjaren vormen geen opeisbaar recht" Anders echter de SVB: " Beleidsregel SB 2191: De SVB gaat ervan uit dat tijdvakken van verzekering vervuld krachtens een opbouwverzekering wel als eigendom in de zin van artikel 1 van het Eerste Protocol moeten worden aangemerkt, waarmee echter niets is gezegd over het recht van de overheid de wet te wijzigen." |
| Uit de nota nav het Verslag daarover door het kabinet: De leden van de ChristenUnie-fractie constateren terecht dat mensen die na hun 15e en voor hun 65e blijvend zijn geëmigreerd naar het buitenland vergeleken met de huidige situatie twee jaar AOW-opbouw missen. De regering is niet van mening dat het nodig is voor deze groep aanvullende maatregelen te nemen. De reden hiervoor is dat mensen die blijvend naar het buitenland zijn vertrokken en personen die in Nederland blijven wonen voor de opbouwperiode gelijk behandeld dienen te worden. Voor allen geldt dat twee opbouwjaren vervallen. Daarnaast is overwogen dat het vooraf niet te zeggen is of het opschuiven van de opbouwperiode voor- of nadelig is voor mensen die zich blijvend in het buitenland hebben gevestigd. Dit is namelijk afhankelijk van het pensioenstelsel van het land waar men heen gaat en van de wijze waarop de pensioenrechten daar worden opgebouwd. Ter illustratie: vertrekt men naar een land waar de pensioenleeftijd ook op 67 ligt (en wordt daar ook opgebouwd tussen 65–67), dan verkeert men in dezelfde positie als dat men in Nederland gebleven was. Gaat men naar een land waar de pensioenleeftijd op 65 ligt, dan bestaat altijd de mogelijkheid terug te keren naar Nederland om zodoende alsnog de opbouw te realiseren. Gaat iemand naar een land waar de pensioenleeftijd hoger is dan 67, dan heeft diegene zelfs een voordeel, omdat de pensioenopbouw langer doorloopt dan in Nederland. De regering verwacht dat de komende jaren steeds meer Europese landen hun pensioengerechtigde leeftijd gaan verhogen." |
| Nieuwe arbeidskorting aangekondigd: Om het voor lagere inkomens financieel toegankelijker te maken het AOW-pensioen eerder te laten ingaan, zal de regering overigens een aanvullende inkomensafhankelijke arbeidskorting introduceren voor mensen tussen 62 en 64 jaar. |
| Vorige discussie | Vandaag | Week | Maand | © Zorgwet.info |