| We zullen nu verder de informatie en reactie van de drie betreffende organen afwachten. Dat zijn: CVZ Nederland, Ziekenfonds Belgie en Krankenkasse Duitsland. Ik dank ieder die een bijdrage aan deze discussie heeft geleverd. Het ging ons niet direct om theoretische en vermeende al of niet juridische interpretaties maar om practisch inzicht welke standaardcriteria door de diverse organen op dit moment in de de betreffende landen worden toegepast. Jan Steenkist VNGB |
| @ Jan S. : graag gedaan wat mijn bijdrage betreft. Ik ben wel benieuwd of het Ziekenfonds Belgie en de Krankenkasse Duitsland dezelfde uitleg als de Rechtbank van Adam hebben tav de aanwijsregels in art. 28.2. Vo1408/71, of liever: het daarmee corresponderende artikel in Vo883/2004. |
| Beste Jan en Onno. Het ziet er naar uit dat het Belgische ziekenfonds en de Duitse Krankenkasse de uitspraak van de Nederlandse rechter gaan volgen. Jan, de mevrouw in deze casus heeft niet de Belgische nationaliteit zoals je aangeeft maar de Duitse nationaliteit. Zij woont tesamen met haar Nederlandse echtgenoot met AOW uit Nederland vanaf 1995 tot heden in Belgie en is op geen enkele andere manier in Belgie sociaal verzekerd geweest dan als familielid van haar echtenoot en is met een E-121 formulier van CVZ aangesloten bij een Belgisch ziekenfonds. In maart 2011 wordt zij 65 jaar en heeft dan recht op een Duits en een Nederlands wettelijk pensioen. Zij heeft geen enkel recht op een Belgisch wettelijk pensioen. Ik houd jullie van de ontwikkelingen via dit forum of prive op jullie Email adres op de hoogte. Nogmaals dank voor jullie bijdragen aan de casus. Jan S. |
| Ik bedoelde met "Belgische mevrouw" : een mevrouw die ingezetene van Belgie is. Haar nationaliteit is in dezen niet van belang zolang het een EU-nationaliteit is, en – onder omstandigheden- zelfs daarbuiten. |
| Blijkens de toelichting op art. 24 Vo883/2004 gaat de CVA, waarin diverse publieke organen van Nederland zijn vertegenwoordigd, kennelijk eveneens uit van de pensioenwetgeving ter bepaling van welk land betalingsplichtig wordt indien er pensioenen vanuit meerdere EU-landen zijn (waarbij het dus wat merkwaardig is dat CvZ in een gerechtelijke procedure daarover een ander standpunt inneemt dan in deze toelichting). In die toelichting geeft de VCA als standpunt dat bij de berekening van de duur van onderworpenheid aan de pensioenregeling, in dat geval de AOW, de periode voordat de AOW in werking trad (dus voor 1957) niet kan worden meegerekend. Daarmee gaat de CVA uit van een strikt verzekeringsbegrip ter bepaling van de duur. Iets anders is dat volgens de VCA ook de vrijwillige verzekering AOW niet meegerekend wordt in de bepaling van de duur. Ik had dat punt al aan de orde gesteld in de draad hieronder. Ik vind het standpunt van de VCA overigens nogal discutabel. Weliswaar wordt bij inkoop achteraf van jaren niet precies vastgesteld op welke periode dat betrekking heeft, maar dat lijkt me voor de duurvaststelling niet van belang. Hoe dan ook geldt dat men onder de vrijwillige AOW inderdaad jaren inkoopt of na emigratie de voorheen bestaande verplichte verzekering vrijwillig verlengt in duur. Het is dus niet zo dat men direct het AOW-recht, de uitkeringshoogte verhoogt bij vrijwillige verzekering, dit geschiedt indirect via toevoeging van jaren. Ik kan mij situaties voorstellen (in verband met de woonlandfactor) dat een betrokkene de voorkeur geeft aan vaststelling van CvZ als bevoegd orgaan ter betaling ivm art. 28 Vo1408/71 (en art. 24 Vo883/2004) en onder omstandigheden zeker het laatste punt aan de orde zal willen stellen in een bezwaar- beroepsprocedure bij CvZ. zie www.recht.nl/nieuws/arbeidsrecht/index.html?nid=4bd86ba20b0fff41458 voor die toelichting op art. 24 Vo883/2004 |
| "Article 24 2. In the cases covered by paragraph 1, the cost of benefits in kind shall be borne by the institution as determined in accordance with the following rules: (b) where the pensioner is entitled to benefits in kind under the legislation of two or more Member States, the cost thereof shall be borne by the competent institution of the Member State to whose legislation the person has been subject for the longest period of time; should the application of this rule result in several institutions being responsible for the cost of benefits, the cost shall be borne by the institution applying the legislation to which the pensioner was last subject". Citaten, geknipt en geplakt uit bijdragen op dit forum. Uitspraken gedaan door Nederlandse autoriteit(en): "De Nederlandse autoriteiten als verweerder: "de staat aan welks gehele wettelijke regeling betrokkene het langst onderworpen was" "Citaat uit een paper gepresenteerd in Riga in 1998, gepubliceerd in een boek "Co-ordination of the Systems of Social Security and the Accession fo the Central and Eastern European Countries to the European Union" (pag. 236) door de heer Drs. N. Stiemer van het College voor zorgverzekeringen. Hij spreekt hier zijn twijfel uit over hoe het begrip "wettelijk sociaal zekerheidsstelsel" in artikel 28 (2) uit te leggen: "Article 28 (2) of the regulation does not make quite clear whether subjection to the legislation of a Member State relates to being subject to various social insurance laws of the state, or whether it relates only to being to the sickness insurance scheme". “Citaat uit een uitspraak van de rechtbank in Amsterdam in een min of meer gelijke zaak van een jaar geleden (1.9.2009): "De rechtbank is van oordeel dat eiser gedurende zijn verblijf in Nederland, 31 jaar, onderworpen is geweest aan het Nederlandse sociale zekerheidsstelsel. Dat eiser op grond van dit stelsel voor verzekering aangewezen was op een particuliere ziektekostenverzekering en zich niet kon aansluiten bij een ziekenfonds onderstreept dit slechts. Daarbij merkt de rechtbank op dat niet betwist is dat eiser in de betreffende periode steeds onderworpen is geweest aan premieheffing. Nu eiser hiermede langer onderworpen is geweest aan het stelsel van sociale zekerheid van Nederland dan van ( ........................), eiser recht heeft op zorg in Spanje en, op grond van artikel 33 van de Verordening, Nederland bevoegd is tot inhouding". "De enige jurisprudentie daarover ( Rechtbank Adam, BL 6910) is op 21.03.2010 hier genoemd. Ik citeer daaruit: "5.2. Nu eiser in Nederland gedurende meer tijdvakken voor ouderdomspensioen verzekerd is geweest dan in Finland (en Groot-Brittannië), is Nederland de lidstaat voor wiens rekening de verstrekkingen op grond van ‘ziekte en moederschap’ aan eiser komen. Eiser is dan ook op grond van artikel 33, eerste lid, van de Verordening (en de Zvw) een bijdrage verschuldigd en verweerder is gerechtigd die in te houden op het pensioen van eiser. " |
| Gaan we voor art. 28.2.b er vanuit, zoals de Rechtbank van Adam bepaalde, dat de wettelijke pensioenregelingen bedoeld zijn. Hoe moet de duur van onderworpenheid aan een wettelijke pensioenregeling dan worden uitgelegd bij nabestaandenpensioenen (weduwen/weduwnaars/wezen)? Ik ga er vanuit dat niet de duur van de verzekering van degene die de nabestaandenuitkering krijgt relevant is, maar de duur van verzekering van de overledene (partner of ouder) voorzover betrokken pensioengerechtigde in de verzekerde periode een relatie met de verzekerde had waaruit een nabestaandenpensioen in beginsel kon voortkomen. Aannemelijk is dat de voorwaarden die aan het recht op pensioen bij de nabestaande voor het overige geen rol spelen. Immers, anders zou voor de Nederlandse ANW per jaar in het verleden vastgesteld moeten worden of een partner wel of niet aan een inkomenseis voldeed. Dat laatste lijkt me ondoenlijk. |
| Titel II bevat een eenvormig en volledig stelsel van conflictregels, dat bepaalt aan welke nationale wetgeving een burger van de EU onderworpen is. Dit heeft het HvJ talloze malen uitgeproken. Die uitspraken zijn bindend. Hier doet niet aan af dat de betrokkene krachtens de wetgeving van een of meer andere lidstaten recht kan hebben op een uitkering (zoals een AOW of ANW-pensioen). Dit is ook hetgeen artikel 11.3e van 883/2004 bepaalt: "onverminderd andere bepalingen van deze verordening die hem prestaties garanderen krachtens de wetgeving van een of meer andere lidstaten” In de situatie van degene die recht heeft op een nabestaandenpensioen is m.i. daarom onderscheid te maken tussen: 1. de wetgeving waaraan de betrokkene onderworpen is 2. een recht op prestaties (i.c. ANW-pensioen) krachtens de nationale wetgeving van een of meer andere lidstaten. |
| En om dan ook het laatste type pensioenen, de invaliditeitspensioenen er maar in te betrekken, doet zich ook daar de vraag voor hoe in de Nederlandse kontekst de duur van onderworpenheid aan een wettelijke regeling voor invaliditeitspensioen moet worden bepaald. Ik ga er vanuit dat dan de duur van verzekering onder verschillende wetten die alle betrekking hebben op invaliditeitspensioen bij elkaar opgeteld kunnen worden: AAW, WAZ, WAO, WIA (voorzover het niet om dezelfde periodes gaat). WAJONG wordt niet gezien als een wettelijke regeling voor invaliditeitspensioen onder Vo1408/71 en Vo883/2004. |
| Artikel 13 lid 1: "Onder voorbehoud van de artikelen 14 quater en 14 septies zijn degenen op wie deze verordening van toepassing is, slechts aan de wetgeving van één enkele lidstaat ONDERWORPEN." De volgende zin luidt: FR: "CETTE législation est déterminée conformément aux dispositions du présent titre." DE: "Welche Rechtsvorschriften DIESE sind, bestimmt sich nach diesem Titel." EN: "THAT legislation shall be determined in accordance with the provisions of this Title." Tenzij mijn fr/de/en tekort schiet, is niet in te zien waarom de Nederlandse tekst anders luidt dan: "DEZE wetgeving wordt overeenkomstig de bepalingen van deze titel vastgesteld." Hiervan uitgaande bepaalt titel II (en niets anders) de wetgeving waaraan een EU-burger onderworpen is, dus ook de duur van onderwerping aan de wetgeving van een lidstaat.. |
| Het gaat in dezen niet om de vraag aan welke wetgeving betrokkene thans onderworpen is, maar aan welke wetgeving hij in het verleden het langst onderworpen is geweest. Voorzover in het verleden grensoverschrijdende situaties aan de orde zijn geweest bepaalden de artt. uit titel II Vo1408/71 inderdaad van welke staat de wetgeving toepasselijk was. Om dit te illustreren citeer ik (het is tenslotte 1 mei geweest, de datum van invoering Vo883/2004) art. 24 lid 2 van Vo883/2004, dat correspondeert met art. 28.2 van Vo1408/71: " b) ingeval de pensioengerechtigde recht heeft op verstrekkingen krachtens de wetgeving van twee of meer lidstaten, zijn de kosten voor rekening van het bevoegde orgaan van de lidstaat onder wiens wetgeving de betrokkene het langst HEEFT GERESSORTEERD; indien de toepassing van deze regel ertoe zou leiden dat verscheidene organen de kosten voor hun rekening dienen te nemen, dan komen de kosten voor rekening van het orgaan dat de wetgeving toepast waaraan de pensioengerechtigde laatstelijk onderworpen IS GEWEEST". |
| Ingeval de betrokkene THANS recht heeft op verstrekkingen krachtens de wetgeving van een of meer lidstaten, gaat het inderdaad om de vraag aan welke nationale wetgeving hij VOORHEEN het langst ONDERWORPEN is geweest, hetgeen (volgens artikel 13.1 van 1408/71, resp. 11.1 van 883/2004) overeenkomstig het eenvormige en volledige stelsel van conflictregels van titel II wordt vastgesteld Het is niet duidelijk waarom de term "SOUMISE À" ("SUBJECT TO") die volgens elk zakwoordenboekje "onderworpen" betekent, in artikel 24.2 van 883/2004 is vertaald met "heeft geressorteerd". Dergelijke linguistische vrijheden komen de duidelijkheid niet ten goede. Zie de Engelse en de Franse tekst, waarin consequent dezelfde terminologie wordt gebruikt als in titel II. Hierbij is op te merken dat de term "soumis(e)" meer dan 100 maal voorkomt in 1408/71 (het zelfde geldt voor 883/2004) en dat talloze arresten van het HvJ in de eerste plaats de vraag betreffen aan welke wetgeving de betrokkene onderworpen is (geweest). FR: "si le titulaire de pension a droit à des prestations en nature en vertu de la législation de deux ou plusieurs États membres, la charge en incombe à l'institution compétente de l'État membre à la législation duquel l'intéressé a été SOUMIS pendant la période la plus longue; au cas où l'application de cette règle aurait pour effet d'attribuer la charge des prestations à plusieurs institutions, la charge en incombe à celle de ces institutions qui applique la législation à laquelle le titulaire de pension a été SOUMIS en dernier lieu." EN: "where the pensioner is entitled to benefits in kind under the legislation of two or more Member States, the cost thereof shall be borne by the competent institution of the Member State to whose legislation the person has been SUBJECT for the longest period of time; should the application of this rule result in several institutions being responsible for the cost of benefits, the cost shall be borne by the institution applying the legislation to which the pensioner was last SUBJECT." |
| Het lijkt me dat "onderworpen geweest aan", "heeft geressorteerd onder", " a ete soumis a", en" has been subject to" gelijke betekenis hebben en min of meer uitgelegd kunnen worden als: "was verzekerd voor", "bouwde recht op prestaties op", en soms: "zou recht hebben op prestaties ingeval het risico zich zou voordoen", afhankelijk van het type wettelijke regeling en type wetgeving (zie bijv. mijn kanttekeningen bij dit begrip in verband met een nabestaandenpensioen hierboven). |
| De wetgeving waaraan burgers van de EU onderworpen zijn, wordt overeenkomstig de bepalingen van titel II vastgesteld (art. 13.1 resp. 11.1 van 883/2004) . Voor beroepsmatig actieven is dat als regel de wetgeving van hun werkland, (art. 13 2a t/m 2e en 883/2004 11.3a t/m 3e). Voor postactieven is het: - volgens 1408/71 de wetgeving van hun woonland, tenzij zij onderworpen zijn gebleven aan de wetgving van een andere lidstaat (art. 13.2f), - volgens 883/2004 (zonder voorbehoud) de wetgeving van hun woonland (art. 11.3e) In alle gevallen dus ONGEACHT ENIGE VERZEKERING. De sz-wetgeving waaraan een burger onderworpen is (geweest), bepaalt waarvoor hij wettelijk verzekerd is of kan zijn (was of kon zijn), maar niet omgekeerd. |
| De mevrouw in Belgie, de casus die Jan Steenkist aandroeg, is kennelijk in het verleden onderworpen geweest, door wonen of werken in zowel Nederland als Duitsland, aan de wettelijke pensioenregelingen van die landen. In het verleden kan voor haar daarbij een rol gespeeld hebben dat titel II van Vo1408/71 (of zelfs de voorloper daarvan) de wetgeving van die landen (successievelijk) als toepasselijk aanwees. Dat is op zichzelf echter weinig interessant. Het gegeven dat zij wettelijk pensioen uit beide landen zal verkrijgen vanaf haar 65ste toont al aan dat die onderworpenheid in beide landen er inderdaad geweest is. Van belang voor de aanwijsregel is slechts hoe lang die onderworpenheid duurde tav resp. de Nederlandse en de Duitse wetgeving (naar het oordeel van de Rechtbank van A'dam dus de ouderdomspensioenwetgeving). Dat kan mevrouw in principe zelf uitrekenen. Wat Nederland betreft gaat het dan om de duur dat ze verzekerd was voor de AOW (met dus wat onzekerheid als het gaat om de vraag hoe moet worden omgegaan met de overgangsvoordelen AOW en eventuele duur van vrijwillige verzekering AOW) |
| De Veordening (1408/71 art. 13 lid 1 resp. 883/2004 art. 11.1) bepaalt zonder enig voorbehoud, dat de wetgeving waaraan burgers van de EU onderworpen zijn, overeenkomstig de bepalingen van titel II wordt vastgesteld en het HvJ heeft dit talloze malen bevestigd, maar het staat eenieder vrij dit te betwisten. |
| Dat voorbehoud bestaat juist wel. Het EhVJ heeft juist bevestigd dat van de toewijzingsregels van titel II kan worden afgeweken indien bijzondere bepalingen van titel III van toepassing zijn. Zie bijv. punt 11 in het Aubin arrest 227/81,ik citeer: DE EERSTE VRAAG 10 NAAR LUID VAN ARTIKEL 13, LID 2, VAN ' S RAADS VERORDENING NR . 1408/71 VAN 14 JUNI 1971 IS ' ' OP DE WERKNEMER DIE WERKZAAM IS OP HET GRONDGEBIED VAN EEN LID-STAAT, DE WETGEVING VAN DIE STAAT VAN TOEPASSING ZELFS INDIEN HIJ OP HET GRONDGEBIED VAN EEN ANDERE LID-STAAT WOONT OF INDIEN DE ZETEL VAN DE ONDERNEMING OF HET DOMICILIE VAN DE WERKGEVER WAARBIJ HET WERKZAAM IS, ZICH BEVINDT OP HET GRONDGEBIED VAN EEN ANDERE LID-STAAT . ' ' 11 DEZE ALGEMEEN LUIDENDE BEPALING UIT TITEL II ' ' VASTSTELLING VAN DE TOE TE PASSEN WETGEVING ' ' VAN VERORDENING NR . 1408/71 GELDT EVENWEL ALLEEN VOOR ZOVER ER IN DE BIJZONDERE BEPALINGEN VOOR DE VERSCHILLENDE SOORTEN UITKERINGEN VAN TITEL III DER VERORDENING GEEN UITZONDERINGEN VOORZIEN ZIJN . 12 DIT IS ECHTER JUIST HET GEVAL MET HOOFDSTUK 6, BETREFFENDE DE WERKLOOSHEID, VAN TITEL III DAT, (...) " |
| Een andere indicatie van het voorbehoud dat het EHVJ aangaande titel II bepalingen maakt door verwijzing naar titel III uitzonderingsbepalingen. Arrest Rebmann, 29/6, 1988, 58/87, punt 13 en 14.. daar komt zelfs expliciet een verwijzing naar het ziektehoofdstuk uit titel III in voor. " 13 MEER IN HET BIJZONDER MET BETREKKING TOT GRENSARBEIDERS BEPAALT ARTIKEL 13, LID 2, SUB A, VAN VERORDENING NR . 1408/71 MET HET OOG OP DIE DOELSTELLINGEN, DAT OP HEN IN BEGINSEL DE WETGEVING VAN DE STAAT VAN TEWERKSTELLING VAN TOEPASSING IS . OP DEZE ALGEMENE AANKNOPINGSREGEL ZIJN IN ARTIKEL 25, LID 2, UITZONDERINGEN VOORZIEN VOOR ZIEKTE – EN MOEDERSCHAPSUITKERINGEN, IN ARTIKEL 39 VOOR INVALIDITEITSUITKERINGEN EN IN ARTIKEL 71 VOOR WERKLOOSHEIDSUITKERINGEN . 14 DEZE BIJZONDERE AANKNOPINGEN AAN HET SOCIALE-ZEKERHEIDSSTELSEL VAN DE WOONSTAAT ZIJN INGEGEVEN DOOR OVERWEGINGEN VAN SOCIALE AARD EN PRAKTISCHE UITVOERBAARHEID (....)" |
| Een ander arrest waaruit blijkt dat titel III toepasselijke uitzonderingsbeplaingen bevat tov titel II is V-1/85 Miethe, in het bijzonder de navolgende punten waarin dit geschiedt door bevestiging van de mening van Duitsland en EC. In het bijzonder d epunten : FIRST QUESTION 8 THE BUNDESANSTALT FUR ARBEIT AND THE COMMISSION AGREE THAT ARTICLE 71 ( 1 ) ( A ) ( II ) OF REGULATION NO 1408/71 LAYS DOWN A SPECIAL RULE DEROGATING FROM THE GENERAL PRINCIPLE SET OUT IN ARTICLE 13 OF THE SAME REGULATION, ACCORDING TO WHICH INSURED PERSONS ARE SUBJECT TO THE LEGISLATION OF THE MEMBER STATE IN WHICH THEY ARE EMPLOYED REGARDLESS OF THEIR PLACE OF RESIDENCE OR NATIONALITY . ARTICLE 71 ( 1 ) ( A ) ( II ), ACCORDING TO WHICH A FRONTIER WORKER WHO IS WHOLLY UNEMPLOYED IS TO RECEIVE BENEFITS IN ACCORDANCE WITH THE LEGISLATION OF THE MEMBER STATE IN WHOSE TERRITORY HE RESIDES, DOES NOT OFFER ANY CHOICE TO WORKERS WHO COME WITHIN THE SCOPE OF THAT PROVISION AND PREVENTS THEM FROM OBTAINING BENEFITS UNDER THE LEGISLATION OF THE MEMBER STATE IN WHICH THEY WERE LAST EMPLOYED . (....) 12 THE ANSWER TO THE FIRST QUESTION MUST THEREFORE BE THAT ARTICLE 71 ( 1 ) ( A ) ( II ) OF REGULATION NO 1408/71 MUST BE INTERPRETED AS MEANING THAT A WHOLLY UNEMPLOYED FRONTIER WORKER WHO COMES WITHIN THE SCOPE OF THAT PROVISION MAY CLAIM BENEFITS ONLY FROM THE MEMBER STATE IN WHICH HE RESIDES EVEN THOUGH HE FULFILS THE CONDITIONS FOR ENTITLEMENT TO BENEFITS LAID DOWN BY THE LEGISLATION OF THE MEMBER STATE IN WHICH HE WAS LAST EMPLOYED |
| Een ander arrest waaruit blijkt dat titel III toepasselijke uitzonderingsbeplaingen bevat tov titel II is V-1/85 Miethe, in het bijzonder de navolgende punten waarin dit geschiedt door bevestiging van de mening van Duitsland en EC. In het bijzonder d epunten : FIRST QUESTION 8 THE BUNDESANSTALT FUR ARBEIT AND THE COMMISSION AGREE THAT ARTICLE 71 ( 1 ) ( A ) ( II ) OF REGULATION NO 1408/71 LAYS DOWN A SPECIAL RULE DEROGATING FROM THE GENERAL PRINCIPLE SET OUT IN ARTICLE 13 OF THE SAME REGULATION, ACCORDING TO WHICH INSURED PERSONS ARE SUBJECT TO THE LEGISLATION OF THE MEMBER STATE IN WHICH THEY ARE EMPLOYED REGARDLESS OF THEIR PLACE OF RESIDENCE OR NATIONALITY . ARTICLE 71 ( 1 ) ( A ) ( II ), ACCORDING TO WHICH A FRONTIER WORKER WHO IS WHOLLY UNEMPLOYED IS TO RECEIVE BENEFITS IN ACCORDANCE WITH THE LEGISLATION OF THE MEMBER STATE IN WHOSE TERRITORY HE RESIDES, DOES NOT OFFER ANY CHOICE TO WORKERS WHO COME WITHIN THE SCOPE OF THAT PROVISION AND PREVENTS THEM FROM OBTAINING BENEFITS UNDER THE LEGISLATION OF THE MEMBER STATE IN WHICH THEY WERE LAST EMPLOYED . (....) 12 THE ANSWER TO THE FIRST QUESTION MUST THEREFORE BE THAT ARTICLE 71 ( 1 ) ( A ) ( II ) OF REGULATION NO 1408/71 MUST BE INTERPRETED AS MEANING THAT A WHOLLY UNEMPLOYED FRONTIER WORKER WHO COMES WITHIN THE SCOPE OF THAT PROVISION MAY CLAIM BENEFITS ONLY FROM THE MEMBER STATE IN WHICH HE RESIDES EVEN THOUGH HE FULFILS THE CONDITIONS FOR ENTITLEMENT TO BENEFITS LAID DOWN BY THE LEGISLATION OF THE MEMBER STATE IN WHICH HE WAS LAST EMPLOYED |
| De betreffende tekst van artikel 13 lid 1 luidt: "De toe te passen wetgeving wordt overeenkomstig de bepalingen van deze titel vastgesteld." (zonder enig voorbehoud). De meer exacte Franse (Duitse, Engelse, Spaanse) tekst luidt: "DEZE wetgeving [waaraan de betrokkene ONDERWORPEN is] wordt overeenkomstig de bepalingen van titel II vastgesteld. Het ONDERWORPEN zijn aan de wetgeving van een lidstaat, sluit rechten op grond van de wetgeving van een andere lidstaat niet uit. Dat geldt met name voor (exportabele) rechten die door de Verordening worden gewaarborgd (zoals het recht op AOW, WW, WAO, etc.) . Dit is ook hetgeen artikel 13.3e van 883/2004 uitdrukkelijk bepaalt: "onverminderd andere bepalingen van deze verordening die hem prestaties garanderen krachtens de wetgeving van een of meer andere lidstaten." Er is dus geen tegenstelling tussen: 1. de (enige) wetgeving waaraan een burger van de Unie ONDERWORPEN is (in casu de wetgeving van het woonland) 2. het recht op een uitkering krachtens de wetgeving van een andere lidstaat (in casu het pensioenland) Dit houdt niet in dat lidstaten hun wetgeving naar believen kunnen toepassen op personen die niet aan hun wetgeving ONDERWORPEN zijn. Er is ook geen aanleiding te veronderstellen dat de gemeenschapswetgever niet in staat was zijn bedoelingen zuiver te verwoorden. |
| De vraag is in het geheel niet of een lidstaat als Nederland zijn jurisdictie kan uitbreiden. Het Hof heeft bepaald dat de bepalingen van titel III bijzondere bepalingen zijn die afwijkingen van de middels titel II vastgestelde toepasselijke wetegving toestaan. Dit is ook bij de artt. 28 en 28bis, die in titel III staan, het geval. Daar wordt, in afwijking van de krachtens art. 13,2,f ( titel II dus) op onze doelgroep (gepensioneerde uitpandigen) toepasselijke woonlandwetgeving, onder voorwaarden, een andere pensioenstaat, anders dus dan de woonstaat, gehouden de kosten van ziekteverstrekkingen in het woonland te dragen. De EHvJ jurisprudentie die ik citeerde bevestigt dat de titel III bepalingen dergelijke afwijkingen van de toepasselijke wetgeving volgens titel II mogelijk maken. Daaraan ga je, kennelijk met een of andere blinde vlek, steeds aan voorbij. Het valt, gezien deze jurisprudentie, niet vol te houden dat de titel II artikelen uitsluiten dat de Nederlandse wetgeving zonder meer en te allen tijde buiten beschouwing kan blijven, in geval krachtens art. 28 of 28bis een bevoegd orgaan van Nederland (CvZ) als verantwoordelijk voor de kosten wordt aangewezen. |
| "Er is dus geen tegenstelling tussen: 1. de (enige) wetgeving waaraan een burger van de Unie ONDERWORPEN is (in casu de wetgeving van het woonland) 2. het recht op een uitkering krachtens de wetgeving van een andere lidstaat (in casu het pensioenland)" Neen, die tegenstelling is er niet, en door mij is die ook niet genoemd. Wat punt 1 betreft wordt de toepasselijke wetegeving bepaald door, inderdaad, titel II, behoudens de bijzondere bepalingen van titel III. Wat punt 2 betreft geldt op grond van art. 10 Vo1408/71 dat een aantal uitkeringen en pensioenen, in elk geval alle vormen van wettelijke pensioenen exporteerbaar zijn binnen de EU. Nederland dient dan ook de AOW, ANW, WAO- pensioenen etc toe te kennen aan een uitpandige- die in de EU woont – indien hij rechten daarop heeft, hetgeen ook erkend is in de Wet Beperking Export Uitkeringen (die wel het pensioen kan weigeren aan een aantal niet-verdragslanden). Dit gegeven is ook volkomen in overeenstemming met art. 28.2.b. dat immers vooronderstelt dat iemand recht op een wettelijk pensioen kan hebben vanuit meerdere Lidstaten van de EU. Dat die tegenstelling tussen 1 en 2 er niet is is echter niet relevant voor hetgeen ik aanvocht: er is wel degelijk sprake van voorbehoud waar het de aanwijzing van toepasselijke wetgeving betreft, namelijk doordat in titel III bepalingen staan die afwijking daarvan juist mogelijk maken. Art. 28 Vo1408/71 behelst dergelijke bepalingen. |
| Artikel 13 lid 1 bepaalt ZONDER VOORBEHOUD dat de wetgeving waaraan een burger van de Unie ONDERWORPEN is, overeenkomstig het eenvormige en volledige stelsel van conflictregels van titel II wordt vastgesteld. Die bepalingen zijn rechtstreeks toepasselijk en verbindend in alle lidstaten (EG-verdrag art. 249). Artikel 28.2b veronderstelt dat de rechthebbende krachtens de wetgeving van meer dan één lidstaat recht op VERSTREKKINGEN heeft. Of hij krachtens de wetgeving van meer dan één lidstaat recht heeft op een wettelijk PENSIOEN, doet hierbij niet terzake. |
| De vóór 1.1.2006 particulier verzekerden (inclusief de gesubsidieerde standaardpakket polis, ambtenarenverzekering) met een WETTELIJKE UITKERING uit Nederland (zoals b.v. AOW) hadden GEEN RECHT op VERSTREKKINGEN volgens de WETGEVING van de Lid-Staat Nederland. "Een enkel AWBZ-verzekerde kwalificeerde vóór 2006 niet voor een E121. Dat was inderdaad zo". (Uitspraak en citaat van verweerder (CVZ) van het proces-verbaal van de zitting van 25 februari 2009). "De Zorgverzekeringswet kent geen kring van verzekerden, maar een kring van verzekeringsplichtigen. Met andere woorden, men is niet van rechtswege verzekerd, maar verplicht zich aan te melden bij een verzekeraar. Doet men dat niet, dan is men niet verzekerd. De kring van verzekeringsplichtigen is gedefinieerd door aan te sluiten bij de personenkring voor de AWBZ (artikel 2, lid 1 Zvw) en is daarmee gelijk aan de kring van personen die ingevolge de AWBZ en daarop gebaseerde regelgeving van rechtswege verzekerd zijn (zie hoofdstuk 8). Ingezetenen en diegenen die op grond van hun dienstbetrekking in Nederland aan de loonbelasting zijn onderworpen, zijn van rechtswege voor de AWBZ verzekerd". (citaat uit Nederlands socialezekerheidsheidsrecht in een internationale context, Prof. Mr. F.J.L. Pennings 2e druk, dec. 2006). Voetnoot 22 uit de conclusie van de AG van 15 juli 2010: "22 – Waar ik spreek van particuliere verzekeringen, wil ik enkel onderscheid maken tussen wettelijke verzekeringen en aanvullende verzekeringen. Overeenkomsten betreffende verplichte verzekeringen zijn echter ook privaatrechtelijke overeenkomsten. Het Nederlandse verplichte stelsel is namelijk een stelsel waaronder de verzekerden zich moeten verzekeren tegen bepaalde risico’s en de verzekeraar standaardovereenkomsten moet aanbieden die de basiszorg dekt zonder individuele beoordeling van de risico’s (in Nederland bestaat geen OPENBARE VERZEKERINGSKAS). |
| @ Willeke Wat wil je met deze citaten precies aantonen? |
| Ik hoef niks aan te tonen, ze spreken voor zich. "Het gaat beslist om wettelijke pensioenen uit meerdere landen". En daar gaat het dus niet over. Nogmaals: "Article 24 2. In the cases covered by paragraph 1, THE COST OF BENEFITS IN KIND shall be borne by the institution as determined in accordance with the following rules: (b) where THE PENSIONER is entitled to THE BENEFITS IN KIND under THE LEGISLATION of two or more Member States, the cost thereof shall be borne by the competent institution of the Member State to whose legislation the person has been subject for the longest period of time; should the application of this rule result in several institutions being responsible for the cost of benefits, the cost shall be borne by the institution applying the legislation to which the pensioner was last subject". Je zult dus RECHT moeten hebben op VERSTREKKINGEN volgens de WETGEVING van één van de EU Lid-Staten, die verantwoordelijk is (zijn) voor je wettelijke pensioenuitkering. En hoe je het ook wendt of keert, de niet-ingezetenen en niet in-loondienst zijnden in Nederland zijn uitgesloten van de AWBZ en als gevolg daarvan van de ZVW. De Verordening harmoniseert slechts en "een verzekering volgens de Verordening" is onzin. Maar goed, onzin verkoopt ook, als je het maar vaak genoeg herhaalt. Ik laat het hierbij. Een ieder is vrij de redenering van de rechtbank in Amsterdam, het CVZ/VWS, politiek Den Haag en uiteraard die van jou te volgen. |
| "Artikel 28.2b veronderstelt dat de rechthebbende krachtens de wetgeving van meer dan één lidstaat recht op VERSTREKKINGEN heeft" Neen, dat vooronderstelt art. 28.2.b. niet. Het gaat beslist om wettelijke pensioenen uit meerdere landen. Zoals gezegd is dat ook mogelijk en in overeenstemming met art. 10 van Vo1408/71 dat de elders opgebouwde wettelijke pensioenen exporteerbaar maakt naar andere EU landen. Bij ziekteverstrekkingen is het nu juist onmogelijk dat men daarop recht zou hebben vanuit meerdere EU-staten. En waarom is dat onmogelijk? Omdat titel II, in het bijzonder art. 13, slechts de wetgeving van 1 lidstaat toepasselijk acht. Iets wat je steeds zelf benadrukt hebt. Voorzover er dus recht op ziekteverstrekkingen is, is dat of vanwege het feit dat de woonlandwetgeving toepasselijk is krachtens art. 13,2,f, of omdat de wetgeving van de laatste Lidstaat waaraan men na emigratie ( of pensionering buiten het werkland) onderworpen was, nog krachtens art. 13 van toepassing blijft (dat laatste is zeer waarschijnlijk bij emigtranten vanuit Duitsland het geval). In elk geval past het niet in de systematiek van titel II Vo1408/71 dat men recht op ziekteverstrekkingen vanuit twee EU-staten zou hebben. Merk daarbij op dat de exporteerbaarheid van uitkeringen en pensioenen naar art. 10 Vo1408/71 niet voor ziekteverstrekkingen geldt, wel dus voor wettelijke pensioenen. |
| "Neen, dat vooronderstelt art. 28.2.b. niet. Het gaat beslist om wettelijke PENSIOENEN uit meerdere landen". Ondanks de stelligheid waarmee je dit beweert, is het niet wat 28.2b bepaalt: "indien de rechthebbende krachtens de wettelijke regeling van één Lid-Staat recht op bedoelde VERSTREKKINGEN heeft [...] Er is ook niets dat een lidstaat weerhoudt, aan wie dan ook, een recht op verstrekkingen (of uitkeringen) te verlenen (hoewel gezegd mag worden dat ze, zeker ten aanzien van bejaarden, daar weinig scheutig mee zijn). Als meer dan één lidstaat een recht op VERSTREKKINGEN verleent, dan bepaalt 28.2 dat de kosten voor rekening komen van de lidstaat aan de wettelijke regeling waarvan de rechthebbende het langst (resp. het laatst) ONDERWORPEN is geweest. Dat wordt overeenkomstig de bepalingen van TITEL II vastgesteld. Er is (uiteraard) geen sprake van dat kosten voor rekening komen van een lidstaat die de rechthebbende GEEN recht op VERSTREKKINGEN verleent. |
| De VO 1408/71 als ook de nieuwe versie 883/2004 heeft voor een ieder wat wils. Met een beetje goede wil valt er van alles uit te halen en in te passen. Wat er staat schijnt er niet toe te doen. Een heel leger ambtenaren en juristen, zowel in Brussel, Straatsburg en Luxemburg, als ook in de EU Lidstaten is tot in lengte van dagen onder dak. |
| Elke rechtsstaat heeft wetten en regels waaraan de organen van die staat onderworpen zijn. Europa heeft prevalerende wetten en regels waaraan de lidstaten onderworpen zijn en die bepalen welke lidstaat zijn nationale wetten en regels mag toepassen. Daarom blijft het een interessant geval als verschillende lidstaten hiervoor op de nominatie staan. |
| Inderdaad, interessant dat verschillende lidstaten verantwoordelijk zijn. Dat komt dan ook, voor de hieronder behandelde casus (Belgische mevrouw met pensioen uit Duitsland en Nederland wonend in Belgie) doordat, in afwijking van titel II vo1408/71, dat in beginsel (maar niet eens altijd: er zijn ook daarin wel wat uitzonderingen) de wetgeving van 1 lidstaat toepasselijk verklaart in grensoverschrijdende situaties, titel III bepalingen gelden. Dat zijn, zoals de AG in C-345/09 maar weer eens bevestigde, lex specialis bepalingen ( bijzondere bepalingen) die afwijkingen van het in titel II over toepasselijke wetgeving toelaten. Waaruit bestaat die afwijking in verband met art. 28 /28bis uit titel III? Allereerst daarin dat de staat die de rechten moet leveren, namelijk het woonland in verband met het recht op woonlandzorg, niet dezelfde is als de staat die voor de ziektekosten van de gepensioneerde opdraait. De laatste is de pensioenstaat, de Lidstaat waaruit het wettelijke pensioen verkregen wordt. Deze wordt in art. 33 gemachtigd op betrokkene een bijdrage of premie in te houden (en de woonstaat dus uitdrukkelijk niet). Waarin bestaat dan overigens weer geen afwijking van titel II? Daarin dat slechts 1 pensioenstaat voor de ziektekosten van de gepensioneerde moet opkomen, dus in deze casus kan dat niet zowel Nederland als Duitsland zijn . Welke pensioenstaat dat uiteindelijk wordt is afhankelijk van de toepassing van de aanwijsregels uit art. 28 lid 2. En kennelijk bestaat er in literatuur en tussen deskundigen onenigheid over de uitleg van die aanwijsregel. Buiten kijf daarin is echter dat het in elk geval niet de woonstaat kan zijn. |
| Het mag inmiddels bekend worden verondersteld dat een lidstaat alleen verantwoordelijk is indien aan 2 voorwaarden is voldaan: 1. een pensioen krachtens de wetgeving van die lidstaat EN 2. een recht op verstrekkingen krachtens de wetgeving van die lidstaat Als je de helft leest, is het geen wonder dat het niet klopt. |
| Vorige discussie | Vandaag | Week | Maand | © Zorgwet.info |