| 9.1. Appellant heeft verzocht om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. Appellant heeft onderkend dat de duur van de procedure bij het Hof buiten beschouwing moet worden gelaten (vgl. de uitspraak van de Raad van 23 april 2009, LJN BI3086). Hij heeft echter betoogd dat wel moet worden meegerekend de duur van de procedure die is aangevangen met het bezwaarschrift van appellant van 30 april 2006 tegen de brief van CVZ van 26 april 2006 (waarin is medegedeeld dat appellant een Nederlands pensioen of een Nederlandse uitkering ontvangt waardoor hij recht heeft op medische zorg in zijn woonland op grond van Europese regels en waarbij hem een E 121-formulier is toegezonden) en die is geëindigd met de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: Afdeling) van 26 oktober 2007. 9.2.1. De Raad volgt appellant in dit betoog niet. Hoewel de brief van CVZ van 26 april 2006 geen bezwaarclausule bevat, heeft appellant ervoor gekozen daartegen toch bezwaar te maken. Tegen het niet tijdig nemen van een beslissing op dit bezwaar heeft appellant beroep ingesteld bij de Afdeling. Bij uitspraak van 13 juni 2007 heeft de Afdeling, voor zover nu van belang, het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard op de grond dat die brief geen besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb inhoudt. Daarbij heeft de Afdeling overwogen dat appellant bezwaar kan maken tegen een besluit tot inhouding van een bijdrage op zijn pensioen. Het door appellant tegen die uitspraak gedane verzet is bij de uitspraak van de Afdeling 26 oktober 2007 ongegrond verklaard. Op 25 mei 2007 heeft appellant vervolgens bezwaar gemaakt tegen het besluit van de SVB inzake de inhouding – per 1 april 2007 – van de bijdrage, bedoeld in artikel 69, tweede lid, van de Zvw, op het pensioen van appellant. In deze omstandigheden is er geen grond om de eerste procedure onderdeel te achten van de (tweede) procedure die is aangevangen met de ontvangst op 27 mei 2007 van het bezwaarschrift van appellant tegen het besluit van de SVB inzake de inhouding. 9.2.2. Zoals de Raad heeft overwogen in zijn uitspraak van 26 januari 2009 (LJN BH1009) is de redelijke termijn voor een procedure in drie instanties, in zaken zoals deze, in beginsel niet overschreden als die procedure in haar geheel niet langer dan vier jaar in beslag heeft genomen. Deze procedure is aangevangen op 27 mei 2007 en eindigt met deze uitspraak. Dit betekent dat vier jaar en bijna zeven maanden zijn verstreken. In dit geval is een verlenging van de behandelingsduur vanaf het verzoek van 26 augustus 2009 tot en met de dag van ontvangst door de Raad op 15 oktober 2010 van het arrest van het Hof van 14 oktober 2010 gerechtvaardigd. Dit betreft een periode van een jaar en bijna twee maanden. 9.2.3. Dit betekent dat de redelijke termijn niet is overschreden, |
| Vorige discussie | Alles van deze discussie | Vandaag | Week | Maand | © Zorgwet.info |