| LJN: BV1045, Rechtbank Amsterdam, AWB 11/1231 ZVW Print uitspraak Datum uitspraak: 22-12-2011 Datum publicatie: 17-01-2012 Rechtsgebied: Bestuursrecht overig Soort procedure: Eerste aanleg – enkelvoudig Inhoudsindicatie: Voor herziening definitieve jaarafrekening inzake Zorgverzekeringswet is geen wettelijke grondslag vereist. De herziening is niet in strijd met algemene beginselen van behoorlijk bestuur. De overige beroepsgronden slagen niet. Rechtsgevolgen bestreden besluit worden in stand gelaten. Daaruit in het bijzonder: "3.3. Eiser stelt verder dat de herziening in strijd is met artikel 1 van het Eerste Protocol bij het Verdrag tot bescherming van de rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), nu zonder wettelijke basis een betalingsverplichting is opgelegd. 3.3.1. De rechtbank overweegt dat voor het opleggen van de bijdrageverplichting wel degelijk een wettelijke basis bestaat. Die is namelijk gelegen in artikel 33 van de Verordening en artikel 69 van de Zvw. Van een ongerechtvaardigde inbreuk op artikel 1 van het Eerste Protocol is gelet hierop geen sprake. De omstandigheid dat de wettelijke grondslag voor de herziening niet uitdrukkelijk is vastgelegd, doet aan het voorgaande niet af. De beroepsgrond slaagt dus niet." |
| En verder: "3.7. Eiser voert verder aan dat verweerder niet bevoegd is tot het innen van de inkomensafhankelijke bijdrage AWBZ. 3.7.1. De rechtbank volgt eiser niet in zijn stelling. Eiser is niet verzekerd voor de AWBZ en hoeft daarom ook geen premie voor de AWBZ te betalen. Op het pensioen van eiser wordt een bijdrage ingehouden voor de kosten van zorg die eiser ontvangt in zijn woonland Duitsland. De bijdrage wordt, zo volgt uit artikel 33 van de Verordening, berekend volgens het systeem van het pensioenland, zijnde Nederland. Het systeem dat in Nederland wordt gehanteerd komt erop neer dat de verschuldigde bijdrage wordt berekend op basis van de berekeningsmethodiek van de Zvw en de AWBZ. Daarom hebben de inkomensafhankelijke onderdelen van de bijdrage ook de (overigens verwarrende) naam “inkomensafhankelijke Zvw-bijdrage” en “inkomensafhankelijke AWBZ-bijdrage". De bijdrage die eiser is verschuldigd, wordt dus weliswaar vastgesteld overeenkomstig de berekeningsmethodiek van de Zvw en de AWBZ, maar de inkomensafhankelijke AWBZ-bijdrage is geen AWBZ-premie. Eiser kan hieraan dus niet de conclusie verbinden dat hij een AWBZ-premie betaalt. Deze inkomensafhankelijke bijdrage maakt op grond van artikel 6.3.1 van de Regeling onderdeel uit van de totale buitenlandbijdrage die eiser als verdragsgerechtigde verschuldigd is. De Regeling is een ministeriële regeling waaraan verweerder uitvoering dient te geven. De beroepsgrond faalt. " |
| En over de te late ontvangst van de jaarafrekening 2006 bevestigt de rechtbank een eerder arrest: " 3.8. Ten aanzien van de beroepsgrond dat de jaarafrekening te laat is vastgesteld overweegt de rechtbank als volgt. 3.8.1. De rechtbank stelt voorop dat de jaarafrekening 2006 buiten de in artikel 6.3.3, derde lid, van de Regeling genoemde termijn is vastgesteld. Vast staat immers dat verweerder de jaarafrekening niet binnen zes maanden na het onherroepelijk worden van de NiNbi-beschikking heeft vastgesteld. 3.8.2. In een uitspraak van 23 december 2010 (LJN: BP6229) heeft deze rechtbank, kort gezegd, overwogen dat de in artikel 6.3.3, derde lid, van de Regeling genoemde termijn van zes maanden na de NiNbi-beschikking geen verjarings- of vervaltermijn is. Verder heeft de rechtbank in deze uitspraak geoordeeld dat het te laat nemen van een besluit door een bestuursorgaan in strijd kan zijn met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, maar dat dit niet tot gevolg heeft dat de vaststelling en invordering niet langer kan plaatsvinden. Doordat verweerder heeft afgezien van renteheffing is sprake van een voldoende compensatie voor de te trage besluitvorming, aldus de rechtbank in voormelde uitspraak. 3.8.3. Naar het oordeel van de rechtbank is de uitspraak van 23 december 2010 ook in deze zaak van toepassing. Dat betekent dat de omstandigheid dat verweerder de jaarafrekening pas op 12 augustus 2010 heeft vastgesteld, niet meebrengt dat hij de jaarafrekening niet meer mocht vaststellen. Nu eiser door de (te) late vaststelling van de definitieve Zvw-bijdrage pas later heeft hoeven betalen en daardoor rentevoordeel heeft genoten, is eiser voldoende gecompenseerd voor de te trage besluitvorming. Daarbij weegt de rechtbank mee dat eiser dit rentevoordeel heeft behouden omdat verweerder heeft afgezien van renteheffing. In bijlage A bij het primaire besluit is weliswaar een bedrag aan wettelijke rente van € 228,61 vermeld, maar verweerder heeft ter zitting toegelicht dat dit rente betreft die aan eiser is toegekend en niet aan eiser in rekening is gebracht. Dit volgt ook uit de bijlage A. Hieruit blijkt immers dat eiser, de door hem ontvangen bedragen weggedacht, nog een bedrag van (€ 3.031,20 minus € 1.839,53=) € 1.191,67 zou dienen te ontvangen. Verweerder heeft de wettelijke rente van € 228,61 hierbij geteld en de op basis van de voorlopige jaarafrekening en de foutieve definitieve jaarafrekening door eiser ontvangen bedragen van € 1.021,- en € 2.433,49 hiervan afgetrokken, zodat het nog te betalen bedrag op € 2.034,21 neerkomt. In de omstandigheid dat verweerder dus geen wettelijke rente in rekening heeft gebracht, ziet de rechtbank geen aanleiding voor een verdergaande compensatie. Ook deze beroepsgrond slaagt gelet op het voorgaande dus niet. " Er staan nog wel meer (afgewezen) verweergronden in het arrest, zoals omtrent de schending van het vertrouwensbeginsel, maar die lijken me iets minder interessant om hier te vermelden. |
| Vorige discussie | Vandaag | Week | Maand | © Zorgwet.info |