Ik heb alle argumenten die ik in de loop van de afgelopen maanden heb verzameld, bijeengezet. De argumenten die al eerder op deze site verschenen en die ik onverkort heb gebruikt heb ik weggelaten.

Er zijn politieke argumenten, voor eenieder mogelijk te gebruiken.

Er zijn argumenten voor niet-reguliere hulpverleners.

Er zijn argumenten voor wie ook ambtenaar is of daarmee gelijk te stellen. Let op: Ik heb nog niet de tekst gevonden waarin staat dat de verplichte verzekering boven de vrijstelling gaat.

Er is een argument voor wie een arbeidsongeschiktheidsuitkering heeft bij het USZO van meer dan 45%.

Er is een argument voor wie in enig jaar verlies leed en ook ander inkomen had.

Het argument van het discriminatiebeginsel zoals door Mildred op deze site aangeleverd is belangrijk en voor allerlei categorieën te gebruiken. De redenering lijkt nog wat te haperen. Wie kan deze helderder krijgen?

Er zijn ook wat argumenten over gedwongen winkelnering. Wie kan helpen deze nog sterker te maken?

Er is een argument voor wie te maken heeft met verrekening van inkomsten met een uitkering in een ander jaar dan de inkomsten plaatsvonden.

Ik kom in de gepubliceerde Ziekenfondswet een iets lager bedrag van de ziekenfondsgrens over 1995 tegen dan hier eerder gemeld is.

Er is een argument voor wie in enig jaar minder loon ontving doordat hij/zij in de ziektewet zat.

Deze hele wetgeving leert mij in een voor mij hoog tempo om te gaan met internet. Ik ben benieuwd of ik dit alles zonder haperen overgestuurd krijg naar de site.

Nog een opmerking voor Hans Fiolet: Ik begrijp niet zo goed waarom je mensen stimuleert om geen zelfstandige te zijn, want hoeveel we ook teveel moeten betalen, ik geloof niet dat iemand gemakkelijk meer betaalt dan de zelfstandigenaftrek oplevert.

 

Deel 1 Een gedeelte uit mijn bezwaarschrift

Mijn belastbaar inkomen wordt voor een deel bepaald door mijn aftrek aan buitengewone lasten. Het is interessant dat ik minimaal gebruik maak van de reguliere gezondheidszorg. De nodige kosten voor mijn gezondheid vallen hierbuiten. Wanneer ik veel niet-regulier aan zorg inkoop, dan daalt mijn belastbaar inkomen en mag ik als dank mij verplicht verzekeren bij een ziekenfonds. Deze kan vrijwel de gehele premie als winst boeken, want ik zal er geen gebruik van maken.

* Kunt u mij uitleggen waarom ik wanneer ik niet-regulier hulp zoek, ik de regulieren c.q. de ziekenfondsverzekeraars subsidieer?

Het is nog een stapje zotter. Ik werk zelf als niet-reguliere in de gezondheidszorg. De verzekeraars vergoeden hulp aan mijn cliënten niet. Omdat de verzekeraars mij niet vergoeden ligt mijn uurtarief lager dan gebruikelijk is in de reguliere gezondheidszorg. Daardoor kom ik eerder in aanmerking voor het ziekenfonds en moet ik mijn concurrenten subsidiëren.

* Kunt u mij uitleggen waarom ik als niet-regulier werkende de concurrererende reguliere gezondheidszorg c.q. de ziektekostenverzekeraars subsidieer?

Het is mij bekend dat de reguliere gezondheidszorg onder vuur ligt. Vele cliënten wensen anderssoortige hulp.

Velen zoeken en vinden dat elders en betalen dit zelf.

Het is mij bekend dat de overheid armlastige instellingen die al lang in Nederland operationeel zijn, subsidieert. Destijds is het faillissement van Fokker op deze wijze enige tijd uitgesteld.

Nu lijkt de reguliere gezondheidszorg hetzelfde lot beschoren.

Het is jammer dat de overheid ingrijpt en de ondergang van de monopoliepositie van de reguliere gezondheidszorg vertraagt.

Het is echter begrijpelijk dat zij zo handelt. Elke veranderingsbeweging roept immers haar tegenbeweging op.

De roep om meer niet-reguliere zorg, de roep om deze door verzekeraars te laten vergoeden, wordt nu beantwoord met extra subsidie aan de reguliere gezondheidszorg en de zich hierin behoudend opstellende verzekeraars.

Maar ook dit zal op haar beurt een tegenbeweging oproepen.

* Vandaag schrijf ik mijn bezwaar tegen mijn indeling bij de groep armlastigen (kleine zelfstandigen) die gedwongen worden om de conservatieve grootmachten te ondersteunen (de hoogte van een ziekenfondsverzekeringspremie te betalen).

Ik hoop van ganser harte dat u in staat bent om dit bezwaar te honoreren.

Mocht dit tot mijn grote spijt niet kunnen, dan hoop ik dat ik ondanks deze aanslag op mijn inkomen in staat zal zijn om in mijn onderhoud en gezondheid te kunnen blijven voorzien.

Ernaast troost ik mij met de schone gedachte aan de tegenbeweging die deze actie van de overheid op zal roepen.

Ik wil u niet onthouden hoe mijn zorgverzekeraar de OHRA omgaat met deze materie.

In november en december 1999 kreeg ik van haar klantenservice telefonisch te horen dat ik mijn oude verzekering diende op te schorten in mijn eigen belang. Tegen 10% van de basispremie van mijn oude verzekering per jaar kon ik mij gedurende twee jaar ervan verzekeren dat ik bij terugkeer in een particuliere verzekering mijn oude polis terug zou krijgen. Deze regeling kreeg ik overigens ondanks mijn verzoek niet thuisgestuurd.

Toen ik medio februari tenslotte de hierop betrekking hebbende bescheiden kreeg, bleek mijn oude polis beëindigd te zijn. Bij navraag bij de OHRA bleek de regeling gewijzigd, aan de klantenservice medio januari 2000 bekend gemaakt, aan de betrokken klanten niet bekend gemaakt en met terugwerkende kracht per 1 januari 2000 ingegaan. Uiteraard heb ik bezwaar gemaakt tegen de gang van zaken.

En mijn vertrouwen in het verzekeringswezen is geschonden. Mijn vertrouwen in de politiek ook. Deze geeft de verzekeraars de gelegenheid om de groep mensen die van verplicht naar particulier wisselen tegen voortdurend slechtere voorwaarden te verzekeren.

* Is het uw bedoeling dat de grotere zelfstandige in de toekomst afziet van een ziektekostenverzekering?

* Terzijde, maar niet onbelangrijk, kunt u mij uitleggen waarom u een nieuwe wet aanneemt die zo laat medegedeeld wordt dat veel betrokkenen niet alles hebben kunnen regelen voordat de veranderdatum aanving? Wilt u zoveel extra stress dat iedereen meteen extra zorg van het ziekenfonds inkoopt waarna wetenschappelijk aangetoond kan worden hoe nodig het ziekenfonds juist nu is? Ik noem het onfatsoenlijk en ondoordacht, maar ook geheel bij de moderne tijd passend.

 

Ik citeer een deel van mijn brief aan de OHRA:

"2 Gedwongen winkelnering

Toen de Ohra nog maar net bestond, trok zij nieuwe klanten aan met haar leuze dat verzekeren niet te duur mocht zijn voor de klant. In die tijd heb ik mijn ziekteverzekering bij u ondergebracht als jongvolwassene.

Inmiddels ben ik van middelbare leeftijd. Ik heb een ziekteperiode achter de rug, waardoor ik niet meer elders een ziektekostenverzekering kan afsluiten. Alle verzekeringsmaatschappijen accepteren op particuliere basis uitsluitend gezonde mensen cq mensen voor hun nog gezonde deel.

Na de eerste vrije keuze is er dus gedwongen winkelnering.

Ik constateer uit uw informatieblad dat ik enige malen per jaar ontvang, dat u graag ziet dat uw klanten gezond zijn.

Uit uw polis-aanbiedingen blijkt dat u uitsluitend de reguliere gezondheidszorg goed verzekert en het alternatieve circuit amper.

Met deze keus van u ben ik het niet eens. Ik vind het strijdig met uw aanmaning naar uw klanten om toch vooral gezond met zichzelf om te gaan.

Bij een particuliere verzekering is er tenminste nog een eigen risico, waardoor ieder mens gestimuleerd wordt om na te denken over de vraag hoe ziekte en ongeval te voorkomen danwel te behandelen of genezen.

Bij de huidige courante verzekering neemt deze stimulans af.

Bij het ziekenfonds vervalt deze stimulans geheel.

Ik zit nu in de voor mij zotte situatie dat ik gratis bij alle specialisten die ik maar wil consulteren, op bezoek kan gaan. Zij mogen alle onderzoek die bestaat uitvoeren en alle medicijnen voorschrijven in een leuke dosis. Mij kost het niets, tenminste wanneer ik op de korte termijn alleen aan mijn portemonnee denk. Alle artsen, specialisten, apothekers, medicijnfabrikanten verdienen hieraan en velen zullen me graag voor alle zekerheid nog een consult of medicijn voorschrijven.

De tijd dat een universitaire opleiding of een goed salaris als voldoende voorwaarde voor ethisch handelen werd gezien, is nu wel ruimschoots voorbij.

Het is in deze tijd van klachtrecht cq klachtplicht ook heel verstandig als artsen alle onderzoeken en mogelijke behandelingen toepassen. Klachtrecht gaat immers over nalatig handelen en maar zelden over onnodig teveel handelen. Van dit laatste zijn vooral de voorbeelden van het verkeerde been amputeren in de publieke aandacht gekomen. Het klachtrecht dringt artsen op om vooral veel medische handelingen te verrichten.

3 Uw voordeel bij ruim behandelende artsen

De politiek en ook u schrijft regelmatig aan de mensen, dat de gezondheidszorg onbetaalbaar wordt, waarna u de premie navenant verhoogt.

Hoe meer behandelingen mensen mogelijk kunnen moeten afnemen hoe groter het risico en hoe hoger de premie. Ik geloof dat uw winsten hierop de laatste jaren vermeldenswaard waren.

U heeft er belang bij dat zoveel mogelijk mensen zonder bijbetaling regulier medisch behandeld worden.

U heeft belang bij het medisch klachtrecht dat u ook als voorwaarde stelt bij (nieuw) te verzekeren behandelaars.

U heeft er belang bij dat het reguliere medisch handelen niet al te effectief is.

U heeft belang bij een gemakkelijke afname van reguliere gezondheidszorg door klanten.

U heeft belang bij de gedwongen winkelnering.

Deze tezamen drijven het aantal medische handelingen op en dus de uit te keren bedragen en dus het getal waarlangs u zowel de verzekeringspremie als uw eigen winst berekent en int.

4 Bloedgeld

Dat de Tweede Kamer veel extra mensen dwingt in een dure en niet goed te verantwoorden gezondheidszorg is laakbaar.

Dat u van deze gelegenheid gebruik maakt om deze groep mensen een extra poot uit te draaien door de laatste mogelijkheid om reguliere zorg op een minimumniveau te verzekeren te beëindigen, is des te meer laakbaar.

Elke cent die u van mij onder deze dwang ontvangt is bloedgeld.

5 Evolutie-principes

Het is opvallend en vast geen toeval, dat nu de medische stand op haar ooit hoogverheven voetstuk toenemend kritiek krijgt. Te vaak blijkt op de lange termijn dat zij toch veel of teveel nadelen met zich meebrengt. Soms wordt een medische handeling of medicijn daarna verboden, in andere gevallen ook niet.

Tegelijkertijd kiezen toenemend mensen voor een alternatieve behandeling die zij veelal zelf betalen. Zij kiezen hiervoor ondanks de extra kosten die dit met zich meebrengt en soms hebben zij helemaal geen ruim salaris.

Juist nu krijgt de medische stand en ook Ohra een financiële opkikker, doordat de Tweede Kamer extra veel mensen dwingt om hen te betalen.

De maatregelen van de Tweede Kamer en de Ohra zijn behoudend van aard. Ik zie ze als een tegenreactie op het gemor van het volk. Een subsidie die de medische stand wellicht hard nodig heeft.

* Heeft Ohra nog meer winst nodig om haar voortbestaan te verzekeren?

* Is het geëigend dat Ohra de medische stand subsidieert?"

(einde citaat)

 

Deel 2 Een gedeelte uit mijn beroepschrift

De beschikking gaat niet in op de bezwaren die ik in mijn bezwaarschrift noem. Dit geldt voor mijn bezwaar dat deze ziekenfondswetgeving de reguliere gezondheidszorg bevoordeelt ten nadele van de niet-reguliere. Aangezien ik reguliere medicatie niet verdraag, ben ik voor mijn gezondheid vrijwel geheel aangewezen op niet-reguliere zorg. In de jaren 1995, 1996 en 1997 heb ik deze ruim ingekocht waardoor mijn belastbare inkomen fors daalde. Met een verplichte ziekenfondspremie zou ik de reguliere gezondheidszorg c.q. de ziekenfondsverzekeraars subsidiëren, wier zorg ik nauwelijks afneem.

De beschikking gaat evenmin in op het door mij kenbaar gemaakte bezwaar waarom ik als niet-regulier werkende in de gezondheidszorg de ziektekostenverzekeraars zou moeten subsidiëren die aan mijn cliënten in het algemeen géén en soms hooguit een marginaal bedrag vergoeden waardoor ik mijn declaraties matig (en moet matigen) en mijn belastbare inkomen te laag zou zijn om boven de ziekenfondsgrens uit te komen.

De beschikking gaat ook niet in op het door mij genoemde bezwaar dat de overheid middels deze wijziging van de ziekenfondswet de reguliere gezondheidszorg subsidieert c.q. doet subsidiëren en bevoordeelt ten koste van de niet-reguliere gezondheidszorg en dat de overheid op deze wijze de monopoliepositie van de reguliere gezondheidszorg versterkt.

De beschikking negeert mijn bezwaar dat mijn zorgverzekeraar, de OHRA, met terugwerkende kracht haar "terugkom-regeling" heeft gewijzigd en deze wijziging middels een beëindiging van de particuliere polis bekend maakt aan haar klanten, i.c. mij. Volgens de huidige regeling kan ik nooit meer terugkeren in mijn oude polis. Mijn bezwaar richt zich tegen de gelegenheid die de wet biedt aan verzekeraars om een groep mensen die van verzekeringsvorm moet wisselen tegen voortdurend slechtere voorwaarden en hogere premies te verzekeren. Mijn ervaring is dat de OHRA hier inderdaad gebruik van heeft gemaakt.. Dit treft mij dus ook.

Over deze problematiek schreef ik op 1 maart 2000 aan zowel de directrice van OHRA Ziektekostenverzekeringen als de OHRA-eindverantwoordelijke dhr Ton de Waard separaat op hun huisadres. Zij reageerden door hun manager Polis Ziektekostenverzekeringen, dhr R de Graaf op 28 maart 2000 zowel 's ochtends als 's middags met mij uitgebreid te laten telefoneren. Dhr de Graaf kon slechts marginaal een kanttekening plaatsen bij mijn brief en meldde in zijn schrijven van 4 april 2000 dat de OHRA bereid is om onder zeker voorbehoud een verzekering waarvan men mij mondeling zegt dat dit mijn oude verzekering is aan te bieden. Er wordt gezwegen over de premie-hoogte. De gebruikte formulering geeft slechts ruimte voor terugkeer indien ik in 2000 of in 2001 particulier verzekerd moet zijn. Er staat niet bij van wie dit moet. Volgens mij bestaat zo'n plicht nooit. Volgens hun formulering hoeven ze me nooit terug te nemen in mijn oude polis, terwijl dit in hun regeling van vóór medio januari 2000 wel moest tegen betaling van 10% van de oude premie.

5. De beschikking negeert mijn bezwaar tegen een verzekeringsvorm zonder eigen risico, waarbij de hulpverlening onder klachtrecht valt. Beide dragen bij aan de door politici vaak "onbetaalbaar" genoemde gezondheidszorg.

6. Pas in het jaar 2000 kan ik bij de bepaling van mijn belastbaar inkomen rekening gaan houden met een mogelijke verzekeringsplicht. Met daarbij de kanttekening dat de ziekenfondsgrens voor zelfstandigen bij aanvang van het jaar bekend dient te zijn. [Dit moet zijn: bij aanvang van het refertejaar.]

Mijn arbeidshandicap heeft in de refertejaren ook extra beroepskosten met zich meegebracht en mijn belastbaar inkomen ook op die wijze doen dalen.

7. Ik behoor dus helemaal niet tot de doelgroep van de wet of de wet bereikt haar doel bij mij op deze wijze niet.

8. Mijn voornaamste grief is dan ook niet gericht tegen een verzekeringsplicht sec, maar dat de ziekenfondsverzekering voor mij vrijwel geen noodzakelijke ziektekosten vergoedt en dit tegen een veel hogere premie dan ik in vorige jaren had. Deze hogere premie heeft niets te maken met solidariteit met de zwakken in de samenleving, en alles met de inrichting van de medische gezondheidszorg in combinatie met ons verzekeringssysteem, met name het ziekenfondsstelsel. Medici ontkomen er bijna niet aan dat zij extra behandelen. Enerzijds omdat niet-behandelen meer klachtgevoelig is en anderzijds omdat een extra behandeling aan veel klanten niet direct iets kost.

9. Het in beroep bestreden besluit berust op een wet die discriminatie toepast in de zin van artikel 26 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten, hierna IVBR.

Zoals in de rechtspraak meermalen tot uitdrukking is gebracht, betreft het hier een ieder verbindende bepaling van internationaal recht, waarvan de werking zich mede uitstrekt tot het gebied van de sociale zekerheid en welke door justitiabelen in het algemeen met ingang van 23 december 1984 rechtstreeks kan worden ingeroepen. In bredere zin is voorts in de jurisprudentie aanvaard dat artikel 26 van het Verdrag mede omvat een gebod aan de verdragspartijen om wettelijke regels te vrijwaren van iedere vorm van door die bepaling verboden discriminatie. Hiervan is geen sprake, indien kan worden vastgesteld dat een regelgeving ten aanzien van rechtssubjecten teweeggebracht onderscheid berust op objectieve en redelijke gronden.

Onder directe discriminatie wordt in zijn algemeenheid verstaan; een rechtstreeks onderscheid op grond van een duidelijk criterium waarvoor geen redelijke en objectieve grond kan worden aangedragen. Dit kan een vorm van onderscheid zijn, welke expliciet wordt vermeld in art. 1 Gw of art.26 BuPo, maar noodzakelijk is dit niet, vanwege de toevoeging in deze artikelen "op welke grond dan ook".

Onder indirecte discriminatie wordt verstaan onderscheid op grond van een ogenschijnlijk neutraal criterium, dat weliswaar niet onder de reikwijdte van een bepaald discriminatieverbod valt, maar dat in zijn effecten in het betreffende geval toch leidt tot een onderscheid in behandeling, dat door het desbetreffende discriminatieverbod wel expliciet wordt verboden. Indien dit het geval is, levert dit een vermoeden van indirecte discriminatie op.

Dit vermoeden kan slechts worden weggenomen indien aangetoond wordt dat er voor het geconstateerde onderscheid redelijke en objectieve motieven zijn, waarvan daadwerkelijk iedere gedachte aan discriminatie vreemd is. Voorts is van indirecte discriminatie sprake indien onderscheid wordt gemaakt op grond van een wel expliciet genoemd criterium, dat op zichzelf gerechtvaardigd kan zijn, maar leidt tot een ongerechtvaardigd onderscheid op grond van een ander expliciet genoemd criterium.

Op grond van voorgaande dient te worden aangetoond dat er sprake is van directe discriminatie dan wel van indirecte discriminatie. Vervolgens dient te worden aangetoond dat er voor deze discriminatie geen redelijke en objectieve rechtvaardigingsgronden zijn.

De tekst van artikel 26 IVBR laat er immers eveneens geen twijfel over bestaan, dat elke vorm van discriminatie verboden is, indien geen sprake is van onderscheid dat berust op redelijke en objectieve gronden.

Er is sprake van discriminatie indien gelijke groepen ongelijk worden behandeld.

Tot welke groep behoort belanghebbende?


Belanghebbende valt onder de ziekenfondswet voor zelfstandigen op grond van het gegeven dat er sprake is van een WAZ-verzekeringsplicht. Deze WAZ-verzekeringsplicht is er op grond van het gegeven dat er sprake is van inkomsten zoals genoemd in artikel 6 IB. De beoordeling tot welke groep belanghebbende behoort zal dan vanuit criteria genoemd in de IB dienen te geschieden.

Het grootste deel van mijn inkomen bestaat uit inkomsten zoals omschreven in artikel 22 van de Wet op de inkomstenbelasting 1964, hierna te noemen IB. Daarnaast is er sprake van inkomsten zoals omschreven in artikel 6 IB. Mijn inziens ben ik gelijk te stellen aan iemand die uitsluitend inkomsten geniet zoals omschreven in artikel 22 IB [inkomsten uit loondienst of eruit voortvloeiende uitkering] en niet gelijk te stellen aan iemand die uitsluitend inkomsten geniet zoals omschreven in artikel 6 IB [zelfstandige].

Ter onderbouwing van deze stelling wil ik het volgende noemen. Bij de herziening van artikel 44m IB, de zelfstandigenaftrek, werd in de memorie van toelichting het volgende opgemerkt:

Bij de huidige eis dat in het jaar ten minste 1225 uren moeten zijn besteed aan het drijven van een onderneming is het mogelijk dat - anders dan destijds beoogd - belastingplichtigen voor wie de onderneming een nevenactiviteit vormt, toch in aanmerking komt voor deze aftrek. Dit gaat (indirect) ten laste van belastingplichtigen voor wie de onderneming de hoofdwerkzaamheid vormt. Daarom stel ik voor het urencriterium voor de zelfstandigenaftrek meer in overeenstemming te brengen met het daaraan ten grondslag liggende uitgangspunt door het huidige urencriterium aan te vullen met de eis dat de tijd die feitelijk wordt besteed aan werkzaamheden in het economisch verkeer, hoofdzakelijk (Bew.: na nota wijziging grotendeels) wordt besteed aan het voor eigen rekening drijven van een onderneming. MvT, Wet van 18 december 1997, Stb 736, kamerstukken II, 25690, nr. 3, blz.4.

In het voorgaande wordt gesproken over nevenactiviteiten en hoofdactiviteiten. De hoofdactiviteiten zijn bepalend voor de groep waarin iemand wordt ingedeeld. In artikel 44m is dit verder uitgewerkt. Er worden twee hoofdactiviteiten met betrekking tot het verrichten van arbeid onderscheiden, winst uit onderneming en inkomsten uit arbeid. Belanghebbende behoort tot de groep die als hoofdactiviteit inkomsten uit arbeid - op dit moment arbeidsongeschiktheid - geniet.

Welke ongelijke behandeling is er binnen de groep waarbij als hoofdactiviteit inkomsten uit arbeid geldt?


Het al dan niet aanwezig zijn van nevenactiviteiten die onder artikel 6 IB valt, is bepalend voor de ziekenfondsregels die van toepassing zijn. Voor de leden van de groep die nevenactiviteiten hebben die onder artikel 6 IB vallen betekent dit een verhoging van het bedrag dat voor een ziektekostenverzekering dan wel een ziekenfondsverzekering moet worden betaald. Voorgaande wordt veroorzaakt door de andere inkomstengrens en de andere hogere premies die integraal op de inkomsten op grond van artikel 22 IB van toepassing zijn.

Is er een objectieve en redelijke rechtvaardiging te noemen voor het te maken onderscheid?


In de wettekst en de memorie van toelichting voor de ziekenfondswet voor zelfstandigen wordt geen objectieve en redelijke rechtvaardiging gegeven voor de ongelijke behandeling binnen één groep, zijnde de groep die hoofdzakelijk inkomsten geniet op grond van artikel 22 IB. Gezien het doel en de strekking van de ziekenfondswet voor zelfstandigen is een dergelijke ongelijke behandeling in het geheel ook niet bedoeld.

Conclusie

Het onderscheid in de ziekenfondswet binnen de groep mensen die hoofdzakelijk inkomsten uit arbeid ex artikel 22 IB genieten is een ongelijke behandeling waarvoor geen objectieve en redelijke rechtvaardiging is te geven. Daarmee is artikel 26 IVBR rechtstreeks van toepassing. Voorgaande betekent dat voor belanghebbende dezelfde regels uit de ziekenfondswet hebben te gelden als

voor de groep waarbij de inkomsten uitsluitend bestaan uit inkomsten ex artikel 22 IB.

[dit argument moet nog beter uitgewerkt worden]

 

Deel 3 Een gedeelte uit mijn pleitnota voor de zitting betreffende de voorlopige voorziening

Uit de uitspraak van de tweede meervoudige belastingkamer van het gerechtshof Arnhem met datum 5 september 2000 en ELRO_nummer:AA7054 Zaaknr:00/243 blijkt dat het gerechtshof bevoegd is om de inkomenstoets uit de ziekenfondswet te beoordelen. Zij oordeelde dat één referentiejaar voor een starter geen juist beeld geeft van de inkomenssituatie en bijdraagt aan het moeten wisselen van verzekeringsvorm. Dit laatste beoogt de wet te beperken. Bovendien acht het Hof van Arnhem dat er geen onderscheid gemaakt dient te worden tussen starters en gevestigde ondernemers.

Ter zitting is mondeling door belanghebbende toegevoegd, zakelijk weergegeven: Belanghebbende is in 1995 zeer ernstig ziek geweest. Zij heeft daardoor een medisch belast verleden. Eén en ander brengt met zich dat een beëindiging van de particuliere verzekering bij haar ziektekostenverzekeraar niet slechts op financiële gronden tot onaanvaardbare en onvoorzienbare gevolgen kan leiden maar ook tot een onaanvaardbare verslechtering van de zorgverlening.

De in de Regeling neergelegde maatstaf van slechts één toetsjaar is, naar het oordeel van het Hof, door zijn beperkte reikwijdte in zodanige mate onderhevig aan toevallige omstandigheden en keuzes die de ondernemer binnen de wettelijke mogelijkheden kan maken, dat de hantering van die maatstaf zoals in het onderwerpelijke geval tot een uitkomst kan leiden die niet overeenkomt met de door de wetgever voor ogen genomen toetsing aan een meer duurzaam inkomensperspectief.

Het valt voorts niet in te zien waarom voor belanghebbende als een in 1997 gestarte zelfstandige, anders dan voor de in 1998, 1999 en 2000 begonnen ondernemers, persé moet worden aangesloten bij hetzelfde blok van drie referentiejaren dat als basisreferentieperiode in aanmerking moet worden genomen voor ondernemers die reeds vanaf 1995 als zelfstandige waren aan te merken. Het in de Regeling opgenomen systeem beperkt aldus zonder duidelijke grond de kennelijk voor starters in de jaren 1998, 1999, alsmede blijkens het bedoelde voornemen ook voor 2000, wel benutte mogelijkheden van het in aanmerking nemen van toetsjaren buiten de bedoelde basisreferentieperiode, terwijl die mogelijkheid ook voor in 1997 gestarte ondernemers zou kunnen worden benut om tot een meer betrouwbare maatstaf te komen. Daarmee zou dan tevens recht zijn gedaan aan de kennelijk aan de noodzaak voor het treffen van een startersregeling en van een overgangsregeling ten grondslag liggende gedachte dat starters niet op één lijn zijn te stellen met "gevestigde" ondernemers.

Het vorenstaande voert tot het oordeel dat de Regeling met betrekking tot het in aanmerking te nemen tijdvak en inkomen een zodanig gebrekkige uitwerking bevat van de Wet dat die Regeling voor gevallen als het onderwerpelijke buiten toepassing moet worden gelaten.

Het gaat blijkens de uitspraak de taak van de rechter te buiten om in de plaats van de hiervoor buiten toepassing gestelde regeling een andere maatstaf te stellen. Dit brengt met zich dat het door de Inspecteur vastgestelde inkomen als zodanig niet kan worden aanvaard zodat moet worden vastgesteld dat zulk een inkomen niet ten grondslag ligt aan de verklaring.

In haar uitspraak met datum 18-08-2000 en ELRO_nummer:AA7052;Zaaknr:000787 spreekt het Hof van Arnhem uit dat ook starters uit 1996 de mogelijkheid geboden moet worden 1 van de 2 jaren (1996 en 1997) buiten beschouwing te laten. Aan belanghebbende wordt als starter de keuzemogelijkheid onthouden die eerder (bijvoorbeeld in 1995) begonnen ondernemers wel krijgen, terwijl ten aanzien van de in deze relevante maatstaf (te weten: de invloed van een sterk afwijkend inkomen in één jaar op het gemiddelde inkomen) in het algemeen niet een zodanig verschil in positie bestaat tussen starters en reeds gevestigde zelfstandigen dat zulks een zo ongelijke behandeling met betrekking tot de verzekeringsplicht rechtvaardigt. Die rechtvaardiging ontbreekt in ieder geval in een geval als het onderwerpelijke waarin er sprake is van een bijzondere bate (een in een jaar genoten ontbindingsvergoeding ter beëindiging van een arbeidsverband). Het Hof wijst er daarbij op dat met betrekking tot de relevante maatstaf sprake is van gelijke gevallen. Het Hof vat dit samen in de zinsnede, dat "de Regeling (...) een ongeoorloofd onderscheid maakt tussen vergelijkbare gevallen."

De Belastingkamer van het Gerechtshof Arnhem deed op 13-04-2000 uitspraak inzake ELRO_nummer:AA6927 Zaaknr:00/242 betreffende de duplicaatverklaring verplichte ziekenfonds_verzekering zelfstandigen door de belastingdienst.

"De President heeft ter zitting de overtuiging gekregen dat de dreiging van een overstap naar het ziekenfonds, gelet op de volgens haar onomkeerbare gevolgen met name wat betreft de omvang van de zorgverlening en in het perspectief van de levensbedreigende ziekte van belanghebbende en de mogelijkheid van herhaling daarvan een onevenredige geestelijke belasting voor belanghebbende met zich brengt. In de hiervoor weergegeven omstandigheden is het niet te verdedigen belanghebbende te verplichten tot het treffen van maatregelen zoals een overstap naar het ziekenfonds zolang niet is komen vast te staan dat belanghebbende daadwerkelijk op grond van een wettelijke verplichting daartoe gehouden is."

"Anders dan de Inspecteur verdedigt is er voorts wel aanleiding tot twijfel aan de rechtmatigheid van zijn handelwijze. Door bij de bestreden uitspraak tevens een nieuwe beschikking uit te vaardigen ontneemt de Inspecteur immers aan belanghebbende het rechtsmiddel van bezwaar en bewerkstelligt de Inspecteur een in de huidige wettelijke regeling niet voorziene vorm van prorogatie. Juist in een geval als het onderwerpelijke betekent het achterwege laten van de bezwaarfase een ontoelaatbare inperking van belanghebbendes belang bij een zorgvuldige besluitvorming. Naast het hiervoor genoemde formeelrechtelijke gebrek is naar het oordeel van de President in dit geval gerede mogelijkheid voor het intreden van onherstelbare gevolgen indien uitvoering zou worden gegeven aan de onderwerpelijke verklaring. Deze omstandigheid rechtvaardigt in het geval van belanghebbende het treffen van de gevraagde voorlopige voorziening."

In ELRO_nummer:AA6693 Zaaknr:0274 2 bij het Gerechtshof Arnhem zijn partijen eensluidend van mening dat de beschikking van 9 november 1999 vernietigd dient te worden en dat het tegen de beschikking van 24 januari 2000 gerichte beroepschrift is aan te merken als een bezwaarschrift waarop de Inspecteur uitspraak dient te doen.(uitspraak van 20 april 2000)

Bovenstaande vier uitspraken bevestigen dat de afhandeling van mijn bezwaarschrift mijn rechtsmogelijkheden beperkt.

Zij bevestigen het belang van rechtsgelijkheid.

Zij bevestigen dat de verplichte overstap naar het ziekenfonds geestelijk belastend kan zijn. Dat is het in mijn geval ook. Ik doe mijn uiterste best om buiten elk medisch circuit te blijven - hetgeen noodzakelijk is voor mijn gezondheid - en dat is binnen het ziekenfonds veel moeilijker dan bij een particuliere verzekering.

Zij bevestigen dat een tijdelijke, achteraf niet-noodzakelijke overstap naar het ziekenfonds onherstelbare gevolgen kan hebben.

jaarloongrens64%
1995f 58.950f 37.728
1996f 59.700f 38.208
1997f 60.750f 38.880
 
gemiddeldf 38.272


Dit is zo'n f 3.000 lager dan de nu gehanteerde grens. [Feitelijk zou het bedrag nog variëren afhankelijk van welke refertejaren gebruikt wordt.]

Rechtsongelijkheid neem ik ook waar op het punt dat zelfstandigen de volle 8,1% bij ziektekosten moeten aftrekken, terwijl werkgevers hun deel als ondernemerskosten aftrekken. Dit verhoogt ook in de toekomst mijn aftrekpost voor ziektekosten en verlaagt mijn belastbaar inkomen.

Het Maandblad Geestelijke Volksgezondheid, nummer 5/2000 bespreekt op pagina 501 tot en met 504 het rapport "Europa en de gezondheidszorg. Advies uitgebracht door de RVZ aan de minister van VWS" door de Raad voor de Volksgezondheid & Zorg.

"... het rapport stelt in klare taal dat het Nederlandse verzekeringsstelsel vanuit Europees perspectief niet door de beugel kan en dus herzien moet worden. ... De EU let erop of de verzekeringsstelsels en de samenwerkingsvormen tussen verzekeraars en de zorgaanbieders wel voldoen aan de Europese mededingingstoets. De EU waakt over vrij verkeer van diensten en eerlijke concurrentie. Zo beschouwd voldoet de gezondheidszorg in Nederland niet aan de Europese criteria. ... De aanleiding voor het advies waren de arresten Decker en Kohll van het Europese Hof van Justitie. Daaruit bleek dat het gemeenschapsrecht ook van toepassing is op de inrichting van de sociale zekerheid in de lidstaten." In Nederland staat de markt buiten spel. "Achterhaald is ook de gedwongen winkelnering waarvan nu nog in iedere regio sprake is, waardoor cliënten geen hulp kunnen vragen in een andere regio, bijvoorbeeld omdat daar geen wachtlijsten zijn. ... De toename van de keuzevrijheid van de consument is dan ook telkens een van de belangrijkste argumenten om ook in de gezondheidszorg kartelvorming tegen te gaan."

Ik verzoek U om mij de vrijheid te gunnen om zelf voor mijn gezondheid op te komen en mij vrij te stellen van het ziekenfonds.

Principieel neemt het ziekenfonds een betuttelende, kleinmakende houding aan ten opzichte van de burger, bijvoorbeeld door vaak verwijskaarten te eisen. Ik waardeer de prijsverhoging en de inspanningsverhoging van extra gangen naar de huisarts niet. Ik vind het volstrekt in tegenspraak met de verantwoordelijkheid die ik als ondernemer in allerlei opzichten heb. Ook daarom verzoek ik U om mij weer particulier te mogen verzekeren.

Ter zitting vermeldde ik dat de systematiek van de wet wordt aangetast nu zelfstandigen de ziekenfondspremie niet mogen aftrekken op hun onderneming, terwijl de kosten voortvloeien uit hun ondernemerschap. En het is erg wanneer de systematiek van de wet wordt aangetast.

 

Deel 4 De uitspraak met betrekking tot de voorlopige voorziening


De uitspraak met betrekking tot de voorlopige voorziening is dat mijn verzoek is afgewezen. Het Hof oordeelt dat het briefje van de Ohra voldoende garantie biedt om de bodemprocedure waar de zaak veel uitgebreider wordt bekeken, af te wachten.

 

Deel 5 Een gedeelte uit mijn concept pleitnota voor de 'echte' zitting
(ik weet nog niet wanneer)

1 Uitkeringsverrekening en ermee gepaard gaande inkomensfluctueringen

Met het USZO heb ik een nog niet opgelost geschil over de uitbetaling van mijn suppletie-uitkering (de eerste werkloosheidsuitkering over de periode van februari 1998 tot februari 2000).

Het USZO meent dat zij mij f xxx bruto teveel uitbetaalden over de periode van 1 maart 1998 tot 1 april 1999. Mijn standpunt is dat zij ten onrechte niet uitkeerden over de periode 1 april 1999 tot 11 maart 2000. Het betreft f xxx bruto per maand, in totaal ongeveer f xxx bruto.

Sinds februari 2000 krijg ik de vervolgwerkloosheidsuitkering via een andere USZO-afdeling die tot nu toe wel gewoon uitbetaalt.

In 1999 heeft het USZO mij f xxx te weinig uitbetaald. Mijn jaarinkomen over 1999 geeft een onjuist en te laag beeld. In 2000 scheelt het slechts f xxx. Dit alles zal vermoedelijk pas in 2001 worden rechtgetrokken.

Doordat de huidige ziekenfondswet uitgaat van een totaal van het belastbaar inkomen en doordat het USZO een eventuele verrekening met mijn inkomsten uit mijn praktijk in een ander jaar laat plaatsvinden dan het probleem ontstond, fluctueert mijn belastbaar inkomen zowel vanwege mijn praktijk als vanwege mijn uitkeringsinkomen. Is dit nog in overeenstemming met de intenties van de wet?

2 Verliesjaar


In 1995 was mijn winst f xxx, in 1996 was er verlies f xxx en in 1997 was mijn winst f xxx.

De ziekenfondswet bepaalt dat verlies voor zelfstandigen op nihil wordt gesteld bij de optelling en middeling van de jaarinkomens.

Doordat ik nog een ander inkomen heb, is dit verlies niet direct zichtbaar en wel degelijk voor het totale bedrag afgetrokken van mijn jaarinkomen. Dit is een opmerkelijke discriminatie tussen uitsluitend zelfstandigen en zelfstandigen met inkomen uit arbeid.

Eerlijker zou zijn om mijn jaarinkomen voor de berekening te verhogen met het verliesbedrag, zijnde f xxx. Dit zou mijn belastbaar inkomen over 1996 fictief wijzigen van f xxx naar f xxx.

3 Ambtenaren mogen niet in ziekenfonds


Ambtenaren mogen niet in het verplichte ziekenfonds, mensen met een arbeidsongeschiktheidsuitkering van het USZO mogen éénmalig kiezen voor een verzekeringsvorm en zelfstandigen beneden een zekere grens moeten in het ziekenfonds.

Wat nu als deze tegengestelden in één persoon zijn verenigd?

Het landelijk informatiepunt in Enschede zegt dat de verplichting aan zelfstandigen boven de vrijstelling van ambtenaren gaat. Maar klopt dat? Zij zouden mij op dinsdag 10 oktober terugbellen om mede te delen waarop zij zich baseren bij hun standpunt dat de verplichte verzekering van zelfstandigen boven de andere opties gaat. Echter zij hebben tot nu (vrijdag 13 oktober) toe nog niet gebeld.

In het Aanwijzingsbesluit Verzekerden Ziekenfondswet van 1966 val ik onder de groep die uitgezonderd is van het ziekenfonds op grond van artikel 1c, zijnde ambtenaar vanwege mijn werkloosheidsuitkering uit mijn vroegere betrekking aan het Hoger Beroepsonderwijs.

Volgens het Besluit beperking kring verzekerden Ziekenfondswet, artikel 1a is degene die loon of uitkering ontvangt, in aanvulling op een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering zonder ziekenfondsplicht, vrijgesteld van het ziekenfonds. Ten tijde van het schrijven van genoemd besluit bestond de optie van zelfstandige in het ziekenfonds nog niet. Maar ik zou op deze grond eveneens vrijgesteld moeten zijn.

In het Besluit beperking kring verzekerden Ziekenfondswet meldt artikel 2 lid 1c dat uitgezonderd is de werknemer met een publiekrechtelijke ziektekostenregeling voor ambtenaren.

In de Regeling aanwijzing groepen van personen uitgezonderd van de verplichte Ziekenfondsverzekering wordt als niet-verplicht verzekerd aangewezen in artikel 1c onderwijzend personeel dat geheel of ten dele ambtenaar is.

In de Regeling aanwijzing categorieën van personen die indien zij de wens daartoe te kennen geven niet verzekerd worden ingevolge de Ziekenfondswet, artikel 3 lid 1, worden personen met een uitkering zoals genoemd in het Aanwijzingsbesluit verzekerden Ziekenfondswet, artikel 1w op hun wens niet verzekerd. Aan de vereisten van artikel 1w - WAO-uitkering als overheidswerknemer met tenminste 45% arbeidsongeschiktheid - voldoe ik.

4 De keuze bestaat

Mensen met een arbeidsongeschiktheidsuitkering van het USZO mogen éénmalig kiezen tussen ziekenfonds of particuliere vezekering.

Waarom heeft de wetgever de plicht aan zelfstandigen opgelegd en niet de keuze? In de wet was deze optie al aanwezig. Volgens de Memorie van toelichting was de regering bang om alleen kneusjes en arme mensen vrijwillig voor het ziekenfonds aan te kunnen trekken.

5 Overheid is als werkgever goedkoper uit dan een zelfstandige

Waarom kiest de overheid als werkgever van ambtenaren voor de uiterst goedkope oplossing van vrijwillig laten verzekeren en een tegemoetkoming in de kosten geven. Deze tegemoetkoming was voor mij in 1997 f 1689,04 bruto en voor mij vrij van belasting.

Daardoor was mijn particuliere verzekering helemaal goedkoop en de overheid betaalde minder dan 8,1% over mijn bruto loon van f 50.908 en ook minder dan het huidige maximum ziekenfondstarief.

Met deze wet is zij nog goedkoper dan eerst uit, want elke ambtenaar die ook kleine zelfstandige is, verplicht zij tot ziekenfonds en dan betaalt de overheid geen tegemoetkoming meer.

6 Daling van het inkomen door ziekte


Artikel 3 lid 4 en 5 van de Ziekenfondswet stelt dat voor de ziekenfondsgrens uitgegaan wordt van het loon alsof men werkt. Dit teneinde te voorkomen dat iemand door ziekte tijdelijk in het ziekenfonds zou moeten.

In artikel 3 lid 9 van dezelfde Wet lees ik dat WAO-gerechtigden die in 1985 in het ziekenfonds moesten, op hun verzoek van het ziekenfonds uitgezonderd worden gehouden.

In het Besluit beperking kring verzekerden Ziekenfondswet meldt artikel 2 lid 1c dat uitgezonderd is de werknemer met een publiekrechtelijke ziektekostenregeling voor ambtenaren.

Bij (semi-)ambtenaren bestond in de jaren 1995-1997 geen ziektewet, maar kan in voorkomende gevallen de wet analoog toegepast worden.

Dit geldt evenzeer voor de 'vaste' overuren die men bij ziekte niet doorbetaald krijgt. In mijn geval daalde mijn looninkomen na ontslag tot 50%.

Tenminste wanneer het USZO na een nog niet afgeronde en jaarlijks mogelijk terugkerende klachtenprocedure mijn uitkering niet kort met mijn inkomsten uit mijn praktijk. Moet dit nu nog minder worden?

7 Er moet een vast aantal mensen in het ziekenfonds


Volgens artikel 3a van de Ziekenfondswet is het belangrijk om te regelen hoeveel mensen in de ziekenfondswet moeten. Dit uitgangspunt is bij de wijziging van zelfstandigen ook gehanteerd.

Het netto effect van de ziekenfondswet voor zelfstandigen is daardoor dat twee groepen mensen stuivertje moeten wisselen. In de nieuwe groep zelfstandigen in het ziekenfonds zitten meer mensen die een hoge premie moeten betalen. In de groep die het ziekenfonds uit moet, zitten meer mensen die een hogere premie moeten betalen aan een particuliere verzekering.

Zowel de overheid als de verzekeringsmaatschappijen krijgen extra inkomsten. Dit in tegenstelling tot wat de regering aan de Tweede Kamer heeft meegedeeld.

8 De groep die zelf mag kiezen

In de ziekenfondswet, artikel 3a is vastgesteld, dat per ministeriële regeling categorieën mensen kunnen worden aangewezen die zelf mogen kiezen inzake het ziekenfonds. Als het ziekenfonds een wereldvoorziening zou zijn zouden veel mensen er graag voor kiezen. Dan zou geen plicht nodig zijn.

De overheid heeft het risico van een lage vraag naar het ziekenfonds kennelijk niet geriskeerd

9 De belastingdienst is niet de juiste instantie om ziekenfondsplicht vast te stellen.

Op veel, misschien wel alle jaaropgaven wordt niet vermeld of het inkomen gebaseerd is op loon of op de ziektewet. Dit verschil wordt door de belastingdienst derhalve niet opgemerkt.

Op veel jaaropgaven wordt niet vermeld of betrokkene ambtenaar of daarmee gelijkgesteld is.

Vermoedelijk kan de belastingdienst nog leren om niet alleen met de eindcijfers van het belastbaar inkomen te rekenen, maar eerst te kijken of er wellicht verlies gecompenseerd moet worden. Die gegevens hebben ze in elk geval wel, al hebben ze deze in mijn geval genegeerd.

En natuurlijk kunnen ze ook leren om eerst de wet na te lezen alvorens deze toe te passen. Het valt toch wel op dat ze beweren dat verplichte verzekering boven vrijstelling gaat en vervolgens niet terugbellen om te vertellen op welke tekst zij zich baseren.