Ik heb alle argumenten die ik in de loop van de afgelopen maanden heb
verzameld, bijeengezet. De argumenten die al eerder op deze site verschenen en
die ik onverkort heb gebruikt heb ik weggelaten.
Er zijn politieke argumenten, voor eenieder mogelijk te gebruiken.
Er zijn argumenten voor niet-reguliere hulpverleners.
Er zijn argumenten voor wie ook ambtenaar is of daarmee gelijk te stellen.
Let op: Ik heb nog niet de tekst gevonden waarin staat dat de verplichte
verzekering boven de vrijstelling gaat.
Er is een argument voor wie een arbeidsongeschiktheidsuitkering heeft bij het
USZO van meer dan 45%.
Er is een argument voor wie in enig jaar verlies leed en ook ander inkomen
had.
Het argument van het discriminatiebeginsel zoals door Mildred op deze site
aangeleverd is belangrijk en voor allerlei categorieën te gebruiken. De
redenering lijkt nog wat te haperen. Wie kan deze helderder krijgen?
Er zijn ook wat argumenten over gedwongen winkelnering. Wie kan helpen deze
nog sterker te maken?
Er is een argument voor wie te maken heeft met verrekening van inkomsten met
een uitkering in een ander jaar dan de inkomsten plaatsvonden.
Ik kom in de gepubliceerde Ziekenfondswet een iets lager bedrag van de
ziekenfondsgrens over 1995 tegen dan hier eerder gemeld is.
Er is een argument voor wie in enig jaar minder loon ontving doordat hij/zij
in de ziektewet zat.
Deze hele wetgeving leert mij in een voor mij hoog tempo om te gaan met
internet. Ik ben benieuwd of ik dit alles zonder haperen overgestuurd krijg naar
de site.
Nog een opmerking voor Hans Fiolet: Ik begrijp niet zo goed waarom je mensen
stimuleert om geen zelfstandige te zijn, want hoeveel we ook teveel moeten
betalen, ik geloof niet dat iemand gemakkelijk meer betaalt dan de
zelfstandigenaftrek oplevert.
Deel 1 Een gedeelte uit mijn bezwaarschrift
Mijn belastbaar inkomen wordt voor een deel bepaald door mijn aftrek aan
buitengewone lasten. Het is interessant dat ik minimaal gebruik maak van de
reguliere gezondheidszorg. De nodige kosten voor mijn gezondheid vallen
hierbuiten. Wanneer ik veel niet-regulier aan zorg inkoop, dan daalt mijn
belastbaar inkomen en mag ik als dank mij verplicht verzekeren bij een
ziekenfonds. Deze kan vrijwel de gehele premie als winst boeken, want ik zal er
geen gebruik van maken.
* Kunt u mij uitleggen waarom ik wanneer ik niet-regulier hulp zoek, ik de
regulieren c.q. de ziekenfondsverzekeraars subsidieer?
Het is nog een stapje zotter. Ik werk zelf als niet-reguliere in de
gezondheidszorg. De verzekeraars vergoeden hulp aan mijn cliënten niet. Omdat de
verzekeraars mij niet vergoeden ligt mijn uurtarief lager dan gebruikelijk is in
de reguliere gezondheidszorg. Daardoor kom ik eerder in aanmerking voor het
ziekenfonds en moet ik mijn concurrenten subsidiëren.
* Kunt u mij uitleggen waarom ik als niet-regulier werkende de
concurrererende reguliere gezondheidszorg c.q. de ziektekostenverzekeraars
subsidieer?
Het is mij bekend dat de reguliere gezondheidszorg onder vuur ligt. Vele
cliënten wensen anderssoortige hulp.
Velen zoeken en vinden dat elders en betalen dit zelf.
Het is mij bekend dat de overheid armlastige instellingen die al lang in
Nederland operationeel zijn, subsidieert. Destijds is het faillissement van
Fokker op deze wijze enige tijd uitgesteld.
Nu lijkt de reguliere gezondheidszorg hetzelfde lot beschoren.
Het is jammer dat de overheid ingrijpt en de ondergang van de
monopoliepositie van de reguliere gezondheidszorg vertraagt.
Het is echter begrijpelijk dat zij zo handelt. Elke veranderingsbeweging
roept immers haar tegenbeweging op.
De roep om meer niet-reguliere zorg, de roep om deze door verzekeraars te
laten vergoeden, wordt nu beantwoord met extra subsidie aan de reguliere
gezondheidszorg en de zich hierin behoudend opstellende verzekeraars.
Maar ook dit zal op haar beurt een tegenbeweging oproepen.
* Vandaag schrijf ik mijn bezwaar tegen mijn indeling bij de groep
armlastigen (kleine zelfstandigen) die gedwongen worden om de conservatieve
grootmachten te ondersteunen (de hoogte van een ziekenfondsverzekeringspremie te
betalen).
Ik hoop van ganser harte dat u in staat bent om dit bezwaar te
honoreren.
Mocht dit tot mijn grote spijt niet kunnen, dan hoop ik dat ik ondanks deze
aanslag op mijn inkomen in staat zal zijn om in mijn onderhoud en gezondheid te
kunnen blijven voorzien.
Ernaast troost ik mij met de schone gedachte aan de tegenbeweging die deze
actie van de overheid op zal roepen.
Ik wil u niet onthouden hoe mijn zorgverzekeraar de OHRA omgaat met deze
materie.
In november en december 1999 kreeg ik van haar klantenservice telefonisch te
horen dat ik mijn oude verzekering diende op te schorten in mijn eigen belang.
Tegen 10% van de basispremie van mijn oude verzekering per jaar kon ik mij
gedurende twee jaar ervan verzekeren dat ik bij terugkeer in een particuliere
verzekering mijn oude polis terug zou krijgen. Deze regeling kreeg ik overigens
ondanks mijn verzoek niet thuisgestuurd.
Toen ik medio februari tenslotte de hierop betrekking hebbende bescheiden
kreeg, bleek mijn oude polis beëindigd te zijn. Bij navraag bij de OHRA bleek de
regeling gewijzigd, aan de klantenservice medio januari 2000 bekend gemaakt, aan
de betrokken klanten niet bekend gemaakt en met terugwerkende kracht per 1
januari 2000 ingegaan. Uiteraard heb ik bezwaar gemaakt tegen de gang van zaken.
En mijn vertrouwen in het verzekeringswezen is geschonden. Mijn vertrouwen in
de politiek ook. Deze geeft de verzekeraars de gelegenheid om de groep mensen
die van verplicht naar particulier wisselen tegen voortdurend slechtere
voorwaarden te verzekeren.
* Is het uw bedoeling dat de grotere zelfstandige in de toekomst afziet van
een ziektekostenverzekering?
* Terzijde, maar niet onbelangrijk, kunt u mij uitleggen waarom u een nieuwe
wet aanneemt die zo laat medegedeeld wordt dat veel betrokkenen niet alles
hebben kunnen regelen voordat de veranderdatum aanving? Wilt u zoveel extra
stress dat iedereen meteen extra zorg van het ziekenfonds inkoopt waarna
wetenschappelijk aangetoond kan worden hoe nodig het ziekenfonds juist nu is? Ik
noem het onfatsoenlijk en ondoordacht, maar ook geheel bij de moderne tijd
passend.
Ik citeer een deel van mijn brief aan de OHRA:
"2 Gedwongen winkelnering
Toen de Ohra nog maar net bestond, trok zij nieuwe klanten aan met haar leuze
dat verzekeren niet te duur mocht zijn voor de klant. In die tijd heb ik mijn
ziekteverzekering bij u ondergebracht als jongvolwassene.
Inmiddels ben ik van middelbare leeftijd. Ik heb een ziekteperiode achter de
rug, waardoor ik niet meer elders een ziektekostenverzekering kan afsluiten.
Alle verzekeringsmaatschappijen accepteren op particuliere basis uitsluitend
gezonde mensen cq mensen voor hun nog gezonde deel.
Na de eerste vrije keuze is er dus gedwongen winkelnering.
Ik constateer uit uw informatieblad dat ik enige malen per jaar ontvang, dat
u graag ziet dat uw klanten gezond zijn.
Uit uw polis-aanbiedingen blijkt dat u uitsluitend de reguliere
gezondheidszorg goed verzekert en het alternatieve circuit amper.
Met deze keus van u ben ik het niet eens. Ik vind het strijdig met uw
aanmaning naar uw klanten om toch vooral gezond met zichzelf om te gaan.
Bij een particuliere verzekering is er tenminste nog een eigen risico,
waardoor ieder mens gestimuleerd wordt om na te denken over de vraag hoe ziekte
en ongeval te voorkomen danwel te behandelen of genezen.
Bij de huidige courante verzekering neemt deze stimulans af.
Bij het ziekenfonds vervalt deze stimulans geheel.
Ik zit nu in de voor mij zotte situatie dat ik gratis bij alle specialisten
die ik maar wil consulteren, op bezoek kan gaan. Zij mogen alle onderzoek die
bestaat uitvoeren en alle medicijnen voorschrijven in een leuke dosis. Mij kost
het niets, tenminste wanneer ik op de korte termijn alleen aan mijn portemonnee
denk. Alle artsen, specialisten, apothekers, medicijnfabrikanten verdienen
hieraan en velen zullen me graag voor alle zekerheid nog een consult of medicijn
voorschrijven.
De tijd dat een universitaire opleiding of een goed salaris als voldoende
voorwaarde voor ethisch handelen werd gezien, is nu wel ruimschoots voorbij.
Het is in deze tijd van klachtrecht cq klachtplicht ook heel verstandig als
artsen alle onderzoeken en mogelijke behandelingen toepassen. Klachtrecht gaat
immers over nalatig handelen en maar zelden over onnodig teveel handelen. Van
dit laatste zijn vooral de voorbeelden van het verkeerde been amputeren in de
publieke aandacht gekomen. Het klachtrecht dringt artsen op om vooral veel
medische handelingen te verrichten.
3 Uw voordeel bij ruim behandelende artsen
De politiek en ook u schrijft regelmatig aan de mensen, dat de
gezondheidszorg onbetaalbaar wordt, waarna u de premie navenant verhoogt.
Hoe meer behandelingen mensen mogelijk kunnen moeten afnemen hoe groter het
risico en hoe hoger de premie. Ik geloof dat uw winsten hierop de laatste jaren
vermeldenswaard waren.
U heeft er belang bij dat zoveel mogelijk mensen zonder bijbetaling regulier
medisch behandeld worden.
U heeft belang bij het medisch klachtrecht dat u ook als voorwaarde stelt bij
(nieuw) te verzekeren behandelaars.
U heeft er belang bij dat het reguliere medisch handelen niet al te effectief
is.
U heeft belang bij een gemakkelijke afname van reguliere gezondheidszorg door
klanten.
U heeft belang bij de gedwongen winkelnering.
Deze tezamen drijven het aantal medische handelingen op en dus de uit te
keren bedragen en dus het getal waarlangs u zowel de verzekeringspremie als uw
eigen winst berekent en int.
4 Bloedgeld
Dat de Tweede Kamer veel extra mensen dwingt in een dure en niet goed te
verantwoorden gezondheidszorg is laakbaar.
Dat u van deze gelegenheid gebruik maakt om deze groep mensen een extra poot
uit te draaien door de laatste mogelijkheid om reguliere zorg op een
minimumniveau te verzekeren te beëindigen, is des te meer laakbaar.
Elke cent die u van mij onder deze dwang ontvangt is bloedgeld.
5 Evolutie-principes
Het is opvallend en vast geen toeval, dat nu de medische stand op haar ooit
hoogverheven voetstuk toenemend kritiek krijgt. Te vaak blijkt op de lange
termijn dat zij toch veel of teveel nadelen met zich meebrengt. Soms wordt een
medische handeling of medicijn daarna verboden, in andere gevallen ook niet.
Tegelijkertijd kiezen toenemend mensen voor een alternatieve behandeling die
zij veelal zelf betalen. Zij kiezen hiervoor ondanks de extra kosten die dit met
zich meebrengt en soms hebben zij helemaal geen ruim salaris.
Juist nu krijgt de medische stand en ook Ohra een financiële opkikker,
doordat de Tweede Kamer extra veel mensen dwingt om hen te betalen.
De maatregelen van de Tweede Kamer en de Ohra zijn behoudend van aard. Ik zie
ze als een tegenreactie op het gemor van het volk. Een subsidie die de medische
stand wellicht hard nodig heeft.
* Heeft Ohra nog meer winst nodig om haar voortbestaan te verzekeren?
* Is het geëigend dat Ohra de medische stand subsidieert?"
(einde citaat)
Deel 2 Een gedeelte uit mijn beroepschrift
De beschikking gaat niet in op de bezwaren die ik in mijn bezwaarschrift
noem. Dit geldt voor mijn bezwaar dat deze ziekenfondswetgeving de reguliere
gezondheidszorg bevoordeelt ten nadele van de niet-reguliere. Aangezien ik
reguliere medicatie niet verdraag, ben ik voor mijn gezondheid vrijwel geheel
aangewezen op niet-reguliere zorg. In de jaren 1995, 1996 en 1997 heb ik deze
ruim ingekocht waardoor mijn belastbare inkomen fors daalde. Met een verplichte
ziekenfondspremie zou ik de reguliere gezondheidszorg c.q. de
ziekenfondsverzekeraars subsidiëren, wier zorg ik nauwelijks
afneem.
De beschikking gaat evenmin in op het door mij kenbaar gemaakte bezwaar
waarom ik als niet-regulier werkende in de gezondheidszorg de
ziektekostenverzekeraars zou moeten subsidiëren die aan mijn cliënten in het
algemeen géén en soms hooguit een marginaal bedrag vergoeden waardoor ik mijn
declaraties matig (en moet matigen) en mijn belastbare inkomen te laag zou zijn
om boven de ziekenfondsgrens uit te komen.
De beschikking gaat ook niet in op het door mij genoemde bezwaar dat de
overheid middels deze wijziging van de ziekenfondswet de reguliere
gezondheidszorg subsidieert c.q. doet subsidiëren en bevoordeelt ten koste van
de niet-reguliere gezondheidszorg en dat de overheid op deze wijze de
monopoliepositie van de reguliere gezondheidszorg versterkt.
De beschikking negeert mijn bezwaar dat mijn zorgverzekeraar, de OHRA, met
terugwerkende kracht haar "terugkom-regeling" heeft gewijzigd en deze wijziging
middels een beëindiging van de particuliere polis bekend maakt aan haar klanten,
i.c. mij. Volgens de huidige regeling kan ik nooit meer terugkeren in mijn oude
polis. Mijn bezwaar richt zich tegen de gelegenheid die de wet biedt aan
verzekeraars om een groep mensen die van verzekeringsvorm moet wisselen tegen
voortdurend slechtere voorwaarden en hogere premies te verzekeren. Mijn ervaring
is dat de OHRA hier inderdaad gebruik van heeft gemaakt.. Dit treft mij dus ook.
Over deze problematiek schreef ik op 1 maart 2000 aan zowel de directrice van
OHRA Ziektekostenverzekeringen als de OHRA-eindverantwoordelijke dhr Ton de
Waard separaat op hun huisadres. Zij reageerden door hun manager Polis
Ziektekostenverzekeringen, dhr R de Graaf op 28 maart 2000 zowel 's ochtends als
's middags met mij uitgebreid te laten telefoneren. Dhr de Graaf kon slechts
marginaal een kanttekening plaatsen bij mijn brief en meldde in zijn schrijven
van 4 april 2000 dat de OHRA bereid is om onder zeker voorbehoud een verzekering
waarvan men mij mondeling zegt dat dit mijn oude verzekering is aan te bieden.
Er wordt gezwegen over de premie-hoogte. De gebruikte formulering geeft slechts
ruimte voor terugkeer indien ik in 2000 of in 2001 particulier verzekerd
moet zijn. Er staat niet bij van wie dit moet. Volgens mij bestaat zo'n
plicht nooit. Volgens hun formulering hoeven ze me nooit terug te nemen in mijn
oude polis, terwijl dit in hun regeling van vóór medio januari 2000 wel moest
tegen betaling van 10% van de oude premie.
5. De beschikking negeert mijn bezwaar tegen een verzekeringsvorm zonder
eigen risico, waarbij de hulpverlening onder klachtrecht valt. Beide dragen bij
aan de door politici vaak "onbetaalbaar" genoemde gezondheidszorg.
6. Pas in het jaar 2000 kan ik bij de bepaling van mijn belastbaar inkomen
rekening gaan houden met een mogelijke verzekeringsplicht. Met daarbij de
kanttekening dat de ziekenfondsgrens voor zelfstandigen bij aanvang van het jaar
bekend dient te zijn. [Dit moet zijn: bij aanvang van het
refertejaar.]
Mijn arbeidshandicap heeft in de refertejaren ook extra beroepskosten met
zich meegebracht en mijn belastbaar inkomen ook op die wijze doen dalen.
7. Ik behoor dus helemaal niet tot de doelgroep van de wet of de wet bereikt
haar doel bij mij op deze wijze niet.
8. Mijn voornaamste grief is dan ook niet gericht tegen een
verzekeringsplicht sec, maar dat de ziekenfondsverzekering voor mij vrijwel geen
noodzakelijke ziektekosten vergoedt en dit tegen een veel hogere premie dan ik
in vorige jaren had. Deze hogere premie heeft niets te maken met solidariteit
met de zwakken in de samenleving, en alles met de inrichting van de medische
gezondheidszorg in combinatie met ons verzekeringssysteem, met name het
ziekenfondsstelsel. Medici ontkomen er bijna niet aan dat zij extra behandelen.
Enerzijds omdat niet-behandelen meer klachtgevoelig is en anderzijds omdat een
extra behandeling aan veel klanten niet direct iets kost.
9. Het in beroep bestreden besluit berust op een wet die discriminatie
toepast in de zin van artikel 26 van het Internationaal Verdrag inzake
burgerrechten, hierna IVBR.
Zoals in de rechtspraak meermalen tot uitdrukking is gebracht, betreft het
hier een ieder verbindende bepaling van internationaal recht, waarvan de werking
zich mede uitstrekt tot het gebied van de sociale zekerheid en welke door
justitiabelen in het algemeen met ingang van 23 december 1984 rechtstreeks kan
worden ingeroepen. In bredere zin is voorts in de jurisprudentie aanvaard dat
artikel 26 van het Verdrag mede omvat een gebod aan de verdragspartijen om
wettelijke regels te vrijwaren van iedere vorm van door die bepaling verboden
discriminatie. Hiervan is geen sprake, indien kan worden vastgesteld dat een
regelgeving ten aanzien van rechtssubjecten teweeggebracht onderscheid berust op
objectieve en redelijke gronden.
Onder directe discriminatie wordt in zijn algemeenheid verstaan; een
rechtstreeks onderscheid op grond van een duidelijk criterium waarvoor geen
redelijke en objectieve grond kan worden aangedragen. Dit kan een vorm van
onderscheid zijn, welke expliciet wordt vermeld in art. 1 Gw of art.26 BuPo,
maar noodzakelijk is dit niet, vanwege de toevoeging in deze artikelen "op
welke grond dan ook".
Onder indirecte discriminatie wordt verstaan onderscheid op grond van een
ogenschijnlijk neutraal criterium, dat weliswaar niet onder de reikwijdte van
een bepaald discriminatieverbod valt, maar dat in zijn effecten in het
betreffende geval toch leidt tot een onderscheid in behandeling, dat door het
desbetreffende discriminatieverbod wel expliciet wordt verboden. Indien dit het
geval is, levert dit een vermoeden van indirecte discriminatie op.
Dit vermoeden kan slechts worden weggenomen indien aangetoond wordt dat er
voor het geconstateerde onderscheid redelijke en objectieve motieven zijn,
waarvan daadwerkelijk iedere gedachte aan discriminatie vreemd is. Voorts is van
indirecte discriminatie sprake indien onderscheid wordt gemaakt op grond van een
wel expliciet genoemd criterium, dat op zichzelf gerechtvaardigd kan zijn, maar
leidt tot een ongerechtvaardigd onderscheid op grond van een ander expliciet
genoemd criterium.
Op grond van voorgaande dient te worden aangetoond dat er sprake is van
directe discriminatie dan wel van indirecte discriminatie. Vervolgens dient te
worden aangetoond dat er voor deze discriminatie geen redelijke en objectieve
rechtvaardigingsgronden zijn.
De tekst van artikel 26 IVBR laat er immers eveneens geen twijfel over
bestaan, dat elke vorm van discriminatie verboden is, indien geen sprake is van
onderscheid dat berust op redelijke en objectieve gronden.
Er is sprake van discriminatie indien gelijke groepen ongelijk worden
behandeld.
Tot welke groep behoort belanghebbende?
Belanghebbende valt onder de ziekenfondswet voor zelfstandigen op grond van
het gegeven dat er sprake is van een WAZ-verzekeringsplicht. Deze
WAZ-verzekeringsplicht is er op grond van het gegeven dat er sprake is van
inkomsten zoals genoemd in artikel 6 IB. De beoordeling tot welke groep
belanghebbende behoort zal dan vanuit criteria genoemd in de IB dienen te
geschieden.
Het grootste deel van mijn inkomen bestaat uit inkomsten zoals omschreven in
artikel 22 van de Wet op de inkomstenbelasting 1964, hierna te noemen IB.
Daarnaast is er sprake van inkomsten zoals omschreven in artikel 6 IB. Mijn
inziens ben ik gelijk te stellen aan iemand die uitsluitend inkomsten geniet
zoals omschreven in artikel 22 IB [inkomsten uit loondienst of eruit
voortvloeiende uitkering] en niet gelijk te stellen aan iemand die uitsluitend
inkomsten geniet zoals omschreven in artikel 6 IB [zelfstandige].
Ter onderbouwing van deze stelling wil ik het volgende noemen. Bij de
herziening van artikel 44m IB, de zelfstandigenaftrek, werd in de memorie van
toelichting het volgende opgemerkt:
Bij de huidige eis dat in het jaar ten minste 1225 uren moeten zijn besteed
aan het drijven van een onderneming is het mogelijk dat - anders dan destijds
beoogd - belastingplichtigen voor wie de onderneming een nevenactiviteit vormt,
toch in aanmerking komt voor deze aftrek. Dit gaat (indirect) ten laste van
belastingplichtigen voor wie de onderneming de hoofdwerkzaamheid vormt. Daarom
stel ik voor het urencriterium voor de zelfstandigenaftrek meer in
overeenstemming te brengen met het daaraan ten grondslag liggende uitgangspunt
door het huidige urencriterium aan te vullen met de eis dat de tijd die
feitelijk wordt besteed aan werkzaamheden in het economisch verkeer,
hoofdzakelijk (Bew.: na nota wijziging grotendeels) wordt besteed aan het voor
eigen rekening drijven van een onderneming. MvT, Wet van 18 december 1997,
Stb 736, kamerstukken II, 25690, nr. 3, blz.4.
In het voorgaande wordt gesproken over nevenactiviteiten en
hoofdactiviteiten. De hoofdactiviteiten zijn bepalend voor de groep waarin
iemand wordt ingedeeld. In artikel 44m is dit verder uitgewerkt. Er worden twee
hoofdactiviteiten met betrekking tot het verrichten van arbeid onderscheiden,
winst uit onderneming en inkomsten uit arbeid. Belanghebbende behoort tot de
groep die als hoofdactiviteit inkomsten uit arbeid - op dit moment
arbeidsongeschiktheid - geniet.
Welke ongelijke behandeling is er binnen de groep waarbij als hoofdactiviteit
inkomsten uit arbeid geldt?
Het al dan niet aanwezig zijn van nevenactiviteiten die onder artikel 6 IB
valt, is bepalend voor de ziekenfondsregels die van toepassing zijn. Voor de
leden van de groep die nevenactiviteiten hebben die onder artikel 6 IB vallen
betekent dit een verhoging van het bedrag dat voor een ziektekostenverzekering
dan wel een ziekenfondsverzekering moet worden betaald. Voorgaande wordt
veroorzaakt door de andere inkomstengrens en de andere hogere premies die
integraal op de inkomsten op grond van artikel 22 IB van toepassing zijn.
Is er een objectieve en redelijke rechtvaardiging te noemen voor het te maken
onderscheid?
In de wettekst en de memorie van toelichting voor de ziekenfondswet voor
zelfstandigen wordt geen objectieve en redelijke rechtvaardiging gegeven voor de
ongelijke behandeling binnen één groep, zijnde de groep die hoofdzakelijk
inkomsten geniet op grond van artikel 22 IB. Gezien het doel en de strekking van
de ziekenfondswet voor zelfstandigen is een dergelijke ongelijke behandeling in
het geheel ook niet bedoeld.
Conclusie
Het onderscheid in de ziekenfondswet binnen de groep mensen die hoofdzakelijk
inkomsten uit arbeid ex artikel 22 IB genieten is een ongelijke behandeling
waarvoor geen objectieve en redelijke rechtvaardiging is te geven. Daarmee is
artikel 26 IVBR rechtstreeks van toepassing. Voorgaande betekent dat voor
belanghebbende dezelfde regels uit de ziekenfondswet hebben te gelden als
voor de groep waarbij de inkomsten uitsluitend bestaan uit inkomsten ex
artikel 22 IB.
[dit argument moet nog beter uitgewerkt worden]
Deel 3 Een gedeelte uit mijn pleitnota voor de zitting betreffende de
voorlopige voorziening
Uit de uitspraak van de tweede meervoudige belastingkamer van het gerechtshof
Arnhem met datum 5 september 2000 en ELRO_nummer:AA7054 Zaaknr:00/243 blijkt dat
het gerechtshof bevoegd is om de inkomenstoets uit de ziekenfondswet te
beoordelen. Zij oordeelde dat één referentiejaar voor een starter geen juist
beeld geeft van de inkomenssituatie en bijdraagt aan het moeten wisselen van
verzekeringsvorm. Dit laatste beoogt de wet te beperken. Bovendien acht het Hof
van Arnhem dat er geen onderscheid gemaakt dient te worden tussen starters en
gevestigde ondernemers.
Ter zitting is mondeling door belanghebbende toegevoegd, zakelijk
weergegeven: Belanghebbende is in 1995 zeer ernstig ziek geweest. Zij heeft
daardoor een medisch belast verleden. Eén en ander brengt met zich dat een
beëindiging van de particuliere verzekering bij haar ziektekostenverzekeraar
niet slechts op financiële gronden tot onaanvaardbare en onvoorzienbare gevolgen
kan leiden maar ook tot een onaanvaardbare verslechtering van de
zorgverlening.
De in de Regeling neergelegde maatstaf van slechts één toetsjaar is, naar het
oordeel van het Hof, door zijn beperkte reikwijdte in zodanige mate onderhevig
aan toevallige omstandigheden en keuzes die de ondernemer binnen de wettelijke
mogelijkheden kan maken, dat de hantering van die maatstaf zoals in het
onderwerpelijke geval tot een uitkomst kan leiden die niet overeenkomt met de
door de wetgever voor ogen genomen toetsing aan een meer duurzaam
inkomensperspectief.
Het valt voorts niet in te zien waarom voor belanghebbende als een in 1997
gestarte zelfstandige, anders dan voor de in 1998, 1999 en 2000 begonnen
ondernemers, persé moet worden aangesloten bij hetzelfde blok van drie
referentiejaren dat als basisreferentieperiode in aanmerking moet worden genomen
voor ondernemers die reeds vanaf 1995 als zelfstandige waren aan te merken. Het
in de Regeling opgenomen systeem beperkt aldus zonder duidelijke grond de
kennelijk voor starters in de jaren 1998, 1999, alsmede blijkens het bedoelde
voornemen ook voor 2000, wel benutte mogelijkheden van het in aanmerking nemen
van toetsjaren buiten de bedoelde basisreferentieperiode, terwijl die
mogelijkheid ook voor in 1997 gestarte ondernemers zou kunnen worden benut om
tot een meer betrouwbare maatstaf te komen. Daarmee zou dan tevens recht zijn
gedaan aan de kennelijk aan de noodzaak voor het treffen van een
startersregeling en van een overgangsregeling ten grondslag liggende gedachte
dat starters niet op één lijn zijn te stellen met "gevestigde" ondernemers.
Het vorenstaande voert tot het oordeel dat de Regeling met betrekking tot het
in aanmerking te nemen tijdvak en inkomen een zodanig gebrekkige uitwerking
bevat van de Wet dat die Regeling voor gevallen als het onderwerpelijke
buiten toepassing moet worden gelaten.
Het gaat blijkens de uitspraak de taak van de rechter te buiten om in de
plaats van de hiervoor buiten toepassing gestelde regeling een andere maatstaf
te stellen. Dit brengt met zich dat het door de Inspecteur vastgestelde inkomen
als zodanig niet kan worden aanvaard zodat moet worden vastgesteld dat zulk een
inkomen niet ten grondslag ligt aan de verklaring.
In haar uitspraak met datum 18-08-2000 en ELRO_nummer:AA7052;Zaaknr:000787
spreekt het Hof van Arnhem uit dat ook starters uit 1996 de mogelijkheid geboden
moet worden 1 van de 2 jaren (1996 en 1997) buiten beschouwing te laten. Aan
belanghebbende wordt als starter de keuzemogelijkheid onthouden die eerder
(bijvoorbeeld in 1995) begonnen ondernemers wel krijgen, terwijl ten aanzien van
de in deze relevante maatstaf (te weten: de invloed van een sterk afwijkend
inkomen in één jaar op het gemiddelde inkomen) in het algemeen niet een zodanig
verschil in positie bestaat tussen starters en reeds gevestigde zelfstandigen
dat zulks een zo ongelijke behandeling met betrekking tot de verzekeringsplicht
rechtvaardigt. Die rechtvaardiging ontbreekt in ieder geval in een geval als het
onderwerpelijke waarin er sprake is van een bijzondere bate (een in een jaar
genoten ontbindingsvergoeding ter beëindiging van een arbeidsverband). Het Hof
wijst er daarbij op dat met betrekking tot de relevante maatstaf sprake is van
gelijke gevallen. Het Hof vat dit samen in de zinsnede, dat "de Regeling
(...) een ongeoorloofd onderscheid maakt tussen vergelijkbare gevallen."
De Belastingkamer van het Gerechtshof Arnhem deed op 13-04-2000 uitspraak
inzake ELRO_nummer:AA6927 Zaaknr:00/242 betreffende de duplicaatverklaring
verplichte ziekenfonds_verzekering zelfstandigen door de belastingdienst.
"De President heeft ter zitting de overtuiging gekregen dat de dreiging van
een overstap naar het ziekenfonds, gelet op de volgens haar onomkeerbare
gevolgen met name wat betreft de omvang van de zorgverlening en in het
perspectief van de levensbedreigende ziekte van belanghebbende en de
mogelijkheid van herhaling daarvan een onevenredige geestelijke belasting voor
belanghebbende met zich brengt. In de hiervoor weergegeven omstandigheden is het
niet te verdedigen belanghebbende te verplichten tot het treffen van maatregelen
zoals een overstap naar het ziekenfonds zolang niet is komen vast te staan dat
belanghebbende daadwerkelijk op grond van een wettelijke verplichting daartoe
gehouden is."
"Anders dan de Inspecteur verdedigt is er voorts wel aanleiding tot twijfel
aan de rechtmatigheid van zijn handelwijze. Door bij de bestreden uitspraak
tevens een nieuwe beschikking uit te vaardigen ontneemt de Inspecteur immers aan
belanghebbende het rechtsmiddel van bezwaar en bewerkstelligt de Inspecteur een
in de huidige wettelijke regeling niet voorziene vorm van prorogatie. Juist
in een geval als het onderwerpelijke betekent het achterwege laten van de
bezwaarfase een ontoelaatbare inperking van belanghebbendes belang bij een
zorgvuldige besluitvorming. Naast het hiervoor genoemde formeelrechtelijke
gebrek is naar het oordeel van de President in dit geval gerede mogelijkheid
voor het intreden van onherstelbare gevolgen indien uitvoering zou worden
gegeven aan de onderwerpelijke verklaring. Deze omstandigheid rechtvaardigt in
het geval van belanghebbende het treffen van de gevraagde voorlopige
voorziening."
In ELRO_nummer:AA6693 Zaaknr:0274 2 bij het Gerechtshof Arnhem zijn partijen
eensluidend van mening dat de beschikking van 9 november 1999 vernietigd dient
te worden en dat het tegen de beschikking van 24 januari 2000 gerichte
beroepschrift is aan te merken als een bezwaarschrift waarop de Inspecteur
uitspraak dient te doen.(uitspraak van 20 april 2000)
Bovenstaande vier uitspraken bevestigen dat de afhandeling van mijn
bezwaarschrift mijn rechtsmogelijkheden beperkt.
Zij bevestigen het belang van rechtsgelijkheid.
Zij bevestigen dat de verplichte overstap naar het ziekenfonds geestelijk
belastend kan zijn. Dat is het in mijn geval ook. Ik doe mijn uiterste best om
buiten elk medisch circuit te blijven - hetgeen noodzakelijk is voor mijn
gezondheid - en dat is binnen het ziekenfonds veel moeilijker dan bij een
particuliere verzekering.
Zij bevestigen dat een tijdelijke, achteraf niet-noodzakelijke overstap naar
het ziekenfonds onherstelbare gevolgen kan hebben.
| jaar | loongrens | 64% |
| 1995 | f 58.950 | f 37.728 |
| 1996 | f 59.700 | f 38.208 |
| 1997 | f 60.750 | f 38.880 |
| |
|
| gemiddeld | f 38.272 |
Dit is zo'n f 3.000 lager dan de nu gehanteerde grens. [Feitelijk zou het bedrag nog variëren afhankelijk
van welke refertejaren gebruikt wordt.]
Rechtsongelijkheid neem ik ook waar op het punt dat zelfstandigen de volle
8,1% bij ziektekosten moeten aftrekken, terwijl werkgevers hun deel als
ondernemerskosten aftrekken. Dit verhoogt ook in de toekomst mijn aftrekpost
voor ziektekosten en verlaagt mijn belastbaar inkomen.
Het Maandblad Geestelijke Volksgezondheid, nummer 5/2000 bespreekt op pagina
501 tot en met 504 het rapport "Europa en de gezondheidszorg. Advies uitgebracht
door de RVZ aan de minister van VWS" door de Raad voor de Volksgezondheid &
Zorg.
"... het rapport stelt in klare taal dat het Nederlandse verzekeringsstelsel
vanuit Europees perspectief niet door de beugel kan en dus herzien moet worden.
... De EU let erop of de verzekeringsstelsels en de samenwerkingsvormen tussen
verzekeraars en de zorgaanbieders wel voldoen aan de Europese mededingingstoets.
De EU waakt over vrij verkeer van diensten en eerlijke concurrentie. Zo
beschouwd voldoet de gezondheidszorg in Nederland niet aan de Europese criteria.
... De aanleiding voor het advies waren de arresten Decker en Kohll van het
Europese Hof van Justitie. Daaruit bleek dat het gemeenschapsrecht ook van
toepassing is op de inrichting van de sociale zekerheid in de lidstaten." In
Nederland staat de markt buiten spel. "Achterhaald is ook de gedwongen
winkelnering waarvan nu nog in iedere regio sprake is, waardoor cliënten geen
hulp kunnen vragen in een andere regio, bijvoorbeeld omdat daar geen
wachtlijsten zijn. ... De toename van de keuzevrijheid van de consument is dan
ook telkens een van de belangrijkste argumenten om ook in de gezondheidszorg
kartelvorming tegen te gaan."
Ik verzoek U om mij de vrijheid te gunnen om zelf voor mijn gezondheid op te
komen en mij vrij te stellen van het ziekenfonds.
Principieel neemt het ziekenfonds een betuttelende, kleinmakende houding aan
ten opzichte van de burger, bijvoorbeeld door vaak verwijskaarten te eisen. Ik
waardeer de prijsverhoging en de inspanningsverhoging van extra gangen naar de
huisarts niet. Ik vind het volstrekt in tegenspraak met de verantwoordelijkheid
die ik als ondernemer in allerlei opzichten heb. Ook daarom verzoek ik U om mij
weer particulier te mogen verzekeren.
Ter zitting vermeldde ik dat de systematiek van de wet wordt aangetast nu
zelfstandigen de ziekenfondspremie niet mogen aftrekken op hun onderneming,
terwijl de kosten voortvloeien uit hun ondernemerschap. En het is erg wanneer de
systematiek van de wet wordt aangetast.
Deel 4 De uitspraak met betrekking tot de voorlopige voorziening
De uitspraak met betrekking tot de voorlopige voorziening is dat mijn verzoek
is afgewezen. Het Hof oordeelt dat het briefje van de Ohra voldoende garantie
biedt om de bodemprocedure waar de zaak veel uitgebreider wordt bekeken, af te
wachten.
Deel 5 Een gedeelte uit mijn concept pleitnota voor de 'echte' zitting
(ik weet nog niet wanneer)
1 Uitkeringsverrekening en ermee gepaard gaande
inkomensfluctueringen
Met het USZO heb ik een nog niet opgelost geschil over de uitbetaling van
mijn suppletie-uitkering (de eerste werkloosheidsuitkering over de periode van
februari 1998 tot februari 2000).
Het USZO meent dat zij mij f xxx bruto teveel uitbetaalden over de periode
van 1 maart 1998 tot 1 april 1999. Mijn standpunt is dat zij ten onrechte niet
uitkeerden over de periode 1 april 1999 tot 11 maart 2000. Het betreft f xxx
bruto per maand, in totaal ongeveer f xxx bruto.
Sinds februari 2000 krijg ik de vervolgwerkloosheidsuitkering via een andere
USZO-afdeling die tot nu toe wel gewoon uitbetaalt.
In 1999 heeft het USZO mij f xxx te weinig uitbetaald. Mijn jaarinkomen over
1999 geeft een onjuist en te laag beeld. In 2000 scheelt het slechts f xxx. Dit
alles zal vermoedelijk pas in 2001 worden rechtgetrokken.
Doordat de huidige ziekenfondswet uitgaat van een totaal van het belastbaar
inkomen en doordat het USZO een eventuele verrekening met mijn inkomsten uit
mijn praktijk in een ander jaar laat plaatsvinden dan het probleem ontstond,
fluctueert mijn belastbaar inkomen zowel vanwege mijn praktijk als vanwege mijn
uitkeringsinkomen. Is dit nog in overeenstemming met de intenties van de
wet?
2 Verliesjaar
In 1995 was mijn winst f xxx, in 1996 was er verlies f xxx en in 1997 was
mijn winst f xxx.
De ziekenfondswet bepaalt dat verlies voor zelfstandigen op nihil wordt
gesteld bij de optelling en middeling van de jaarinkomens.
Doordat ik nog een ander inkomen heb, is dit verlies niet direct zichtbaar en
wel degelijk voor het totale bedrag afgetrokken van mijn jaarinkomen. Dit is een
opmerkelijke discriminatie tussen uitsluitend zelfstandigen en zelfstandigen met
inkomen uit arbeid.
Eerlijker zou zijn om mijn jaarinkomen voor de berekening te verhogen met het
verliesbedrag, zijnde f xxx. Dit zou mijn belastbaar inkomen over 1996 fictief
wijzigen van f xxx naar f xxx.
3 Ambtenaren mogen niet in ziekenfonds
Ambtenaren mogen niet in het verplichte ziekenfonds, mensen met een
arbeidsongeschiktheidsuitkering van het USZO mogen éénmalig kiezen voor een
verzekeringsvorm en zelfstandigen beneden een zekere grens moeten in het
ziekenfonds.
Wat nu als deze tegengestelden in één persoon zijn verenigd?
Het landelijk informatiepunt in Enschede zegt dat de verplichting aan
zelfstandigen boven de vrijstelling van ambtenaren gaat. Maar klopt dat? Zij
zouden mij op dinsdag 10 oktober terugbellen om mede te delen waarop zij zich
baseren bij hun standpunt dat de verplichte verzekering van zelfstandigen boven
de andere opties gaat. Echter zij hebben tot nu (vrijdag 13 oktober) toe nog
niet gebeld.
In het Aanwijzingsbesluit Verzekerden Ziekenfondswet van 1966 val ik onder de
groep die uitgezonderd is van het ziekenfonds op grond van artikel 1c, zijnde
ambtenaar vanwege mijn werkloosheidsuitkering uit mijn vroegere betrekking aan
het Hoger Beroepsonderwijs.
Volgens het Besluit beperking kring verzekerden Ziekenfondswet, artikel 1a is
degene die loon of uitkering ontvangt, in aanvulling op een uitkering ingevolge
de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering zonder ziekenfondsplicht,
vrijgesteld van het ziekenfonds. Ten tijde van het schrijven van genoemd besluit
bestond de optie van zelfstandige in het ziekenfonds nog niet. Maar ik zou op
deze grond eveneens vrijgesteld moeten zijn.
In het Besluit beperking kring verzekerden Ziekenfondswet meldt artikel 2 lid
1c dat uitgezonderd is de werknemer met een publiekrechtelijke
ziektekostenregeling voor ambtenaren.
In de Regeling aanwijzing groepen van personen uitgezonderd van de verplichte
Ziekenfondsverzekering wordt als niet-verplicht verzekerd aangewezen in artikel
1c onderwijzend personeel dat geheel of ten dele ambtenaar is.
In de Regeling aanwijzing categorieën van personen die indien zij de wens
daartoe te kennen geven niet verzekerd worden ingevolge de Ziekenfondswet,
artikel 3 lid 1, worden personen met een uitkering zoals genoemd in het
Aanwijzingsbesluit verzekerden Ziekenfondswet, artikel 1w op hun wens niet
verzekerd. Aan de vereisten van artikel 1w - WAO-uitkering als
overheidswerknemer met tenminste 45% arbeidsongeschiktheid - voldoe ik.
4 De keuze bestaat
Mensen met een arbeidsongeschiktheidsuitkering van het USZO mogen éénmalig
kiezen tussen ziekenfonds of particuliere vezekering.
Waarom heeft de wetgever de plicht aan zelfstandigen opgelegd en niet de
keuze? In de wet was deze optie al aanwezig. Volgens de Memorie van
toelichting was de regering bang om alleen kneusjes en arme mensen vrijwillig
voor het ziekenfonds aan te kunnen trekken.
5 Overheid is als werkgever goedkoper uit dan een
zelfstandige
Waarom kiest de overheid als werkgever van ambtenaren voor de uiterst
goedkope oplossing van vrijwillig laten verzekeren en een tegemoetkoming in de
kosten geven. Deze tegemoetkoming was voor mij in 1997 f 1689,04 bruto en voor
mij vrij van belasting.
Daardoor was mijn particuliere verzekering helemaal goedkoop en de overheid
betaalde minder dan 8,1% over mijn bruto loon van f 50.908 en ook minder dan het
huidige maximum ziekenfondstarief.
Met deze wet is zij nog goedkoper dan eerst uit, want elke ambtenaar die ook
kleine zelfstandige is, verplicht zij tot ziekenfonds en dan betaalt de overheid
geen tegemoetkoming meer.
6 Daling van het inkomen door ziekte
Artikel 3 lid 4 en 5 van de Ziekenfondswet stelt dat voor de ziekenfondsgrens
uitgegaan wordt van het loon alsof men werkt. Dit teneinde te voorkomen dat
iemand door ziekte tijdelijk in het ziekenfonds zou moeten.
In artikel 3 lid 9 van dezelfde Wet lees ik dat WAO-gerechtigden die in 1985
in het ziekenfonds moesten, op hun verzoek van het ziekenfonds uitgezonderd
worden gehouden.
In het Besluit beperking kring verzekerden Ziekenfondswet meldt artikel 2 lid
1c dat uitgezonderd is de werknemer met een publiekrechtelijke
ziektekostenregeling voor ambtenaren.
Bij (semi-)ambtenaren bestond in de jaren 1995-1997 geen ziektewet, maar
kan in voorkomende gevallen de wet analoog toegepast worden.
Dit geldt evenzeer voor de 'vaste' overuren die men bij ziekte niet
doorbetaald krijgt. In mijn geval daalde mijn looninkomen na ontslag tot
50%.
Tenminste wanneer het USZO na een nog niet afgeronde en jaarlijks mogelijk
terugkerende klachtenprocedure mijn uitkering niet kort met mijn inkomsten uit
mijn praktijk. Moet dit nu nog minder worden?
7 Er moet een vast aantal mensen in het ziekenfonds
Volgens artikel 3a van de Ziekenfondswet is het belangrijk om te regelen
hoeveel mensen in de ziekenfondswet moeten. Dit uitgangspunt is bij de wijziging
van zelfstandigen ook gehanteerd.
Het netto effect van de ziekenfondswet voor zelfstandigen is daardoor dat
twee groepen mensen stuivertje moeten wisselen. In de nieuwe groep zelfstandigen
in het ziekenfonds zitten meer mensen die een hoge premie moeten betalen. In de
groep die het ziekenfonds uit moet, zitten meer mensen die een hogere premie
moeten betalen aan een particuliere verzekering.
Zowel de overheid als de verzekeringsmaatschappijen krijgen extra inkomsten.
Dit in tegenstelling tot wat de regering aan de Tweede Kamer heeft
meegedeeld.
8 De groep die zelf mag kiezen
In de ziekenfondswet, artikel 3a is vastgesteld, dat per ministeriële
regeling categorieën mensen kunnen worden aangewezen die zelf mogen kiezen
inzake het ziekenfonds. Als het ziekenfonds een wereldvoorziening zou zijn
zouden veel mensen er graag voor kiezen. Dan zou geen plicht nodig zijn.
De overheid heeft het risico van een lage vraag naar het ziekenfonds
kennelijk niet geriskeerd
9 De belastingdienst is niet de juiste instantie om ziekenfondsplicht vast te
stellen.
Op veel, misschien wel alle jaaropgaven wordt niet vermeld of het inkomen
gebaseerd is op loon of op de ziektewet. Dit verschil wordt door de
belastingdienst derhalve niet opgemerkt.
Op veel jaaropgaven wordt niet vermeld of betrokkene ambtenaar of daarmee
gelijkgesteld is.
Vermoedelijk kan de belastingdienst nog leren om niet alleen met de
eindcijfers van het belastbaar inkomen te rekenen, maar eerst te kijken of er
wellicht verlies gecompenseerd moet worden. Die gegevens hebben ze in elk geval
wel, al hebben ze deze in mijn geval genegeerd.
En natuurlijk kunnen ze ook leren om eerst de wet na te lezen alvorens deze
toe te passen. Het valt toch wel op dat ze beweren dat verplichte verzekering
boven vrijstelling gaat en vervolgens niet terugbellen om te vertellen op welke
tekst zij zich baseren.