OPMERKINGEN:
- Vul op de gemarkeerde delen uw eigen gegevens in.
- Gebruik dit beroepschrift bij voorkeur samen met dit schorsingsverzoek.
- Verzend dit beroepschrift aangetekend en tegelijk met het schorsingsverzoek.
- Verzend het beroepschrift en het schorsingsverzoek naar het juiste gerechtshof. Zie de uitspraak op het bezwaar dat u van de belastingdienst heeft gekregen.
- Voor de behandeling van het beroepschrift is een griffierecht verschuldigd van Fl. 60,--. Dit moet u altijd en wel zo snel mogelijk voldoen. Dit geldt ook voor de behandeling van het schorsingsverzoek.
- Indien er in uw geval andere omstandigheden zijn waaruit blijkt dat er sprake is van extra verzwarende omstandigheden dan raad ik u aan om die in het beroepschrift op te nemen.
Dennis Schulinck.
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Belastingkamer
Postbus 70583
5201 CZ DEN BOSCH
Datum : 4 februari 2000
Bijlage(n) : 2
Onderwerp : Beroep tegen beschikking van 21 januari 2000
Geachte Raadsheren,
Bij deze teken ik beroep aan tegen de aan mij gerichte beschikking van de inspecteur van de Belastingdienst, landelijke punt uitvoering heffing Ziekenfondswet voor zelfstandigen, van 21 januari 2000 inhoudende:
- een afwijzing van mijn bezwaar tegen de verklaring inzake verplichte ziekenfondsverzekering;
- de afgifte van een nieuwe verklaring inzake verplichte ziekenfondsverzekering.
Een kopie van de in beroep bestreden beschikking treft u aan als bijlage 1.
De gronden van het beroep luiden als volgt:
1. Het bestreden besluit is in strijd met de wet, nu de nieuwe verklaring ten onrechte niet is afgegeven in de vorm van een voor bezwaar vatbare beschikking.
De inspecteur erkent in het bestreden besluit dat zijn beschikking van 9 november 1999 voortijdig was afgegeven. Als gevolg hiervan herroept hij dit besluit een geeft hij als onderdeel van het besluit op het bezwaar een nieuwe verklaring af. De inspecteur had deze nieuwe verklaring conform het voorschrift van artikel 3d lid 2 van de Ziekenfondswet echter moeten neerleggen in een voor bezwaar vatbare beschikking. Nu de inspecteur dit heeft nagelaten heeft hij in strijd gehandeld met de wet.
2. Het in beroep bestreden besluit is in strijd met de wet nu het pas in januari 2000 is genomen.
De inspecteur erkent in het bestreden besluit dat zijn beschikking van 9 november 1999 voortijdig was afgegeven. Als gevolg hiervan herroept hij dit besluit een geeft hij een nieuwe verklaring af. Nu deze nieuwe verklaring is gedateerd op 21 januari 2000 is er sprake van strijd met de Ziekenfondswet. Uit de parlementaire behandeling van de Wet ziekenfondsverzekering zelfstandigen volgt onmiskenbaar dat de inspecteur vóór 1 november een (rechtsgeldige) beschikking over de verzekering van het daaropvolgende jaar moet versturen (zie bijvoorbeeld TK 1998-1999, 26553, nr. 3 pagina 5).
Ik concludeer dan ook dat nu de wet pas op 1 januari 2000 in werking is getreden het gelet op de wil van de wetgever niet mogelijk is voor de inspecteur om een verklaring inzake verplichte ziekenfondsverzekering af te geven die betrekking heeft op het jaar 2000. De verklaring is derhalve onverbindend. In dit verband merk ik op dat het zeer eenvoudig mogelijk was geweest om gedeelten van de Wet ziekenfondsverzekering zelfstandigen voor 1 januari 2000 in werking te laten treden. De regering kon immers zelf bij KB per artikel het tijdstip van inwerkingtreding bepalen. Nu de regering hier niet voor heeft gekozen, heeft zij daarmee impliciet bovenstaande rechtsgevolgen aanvaard.
3. Het in beroep bestreden besluit is in strijd met de wet, althans het motiveringsbeginsel, nu het niet berust op een deugdelijke motivering.
In het bestreden besluit verklaart de inspecteur het volgende: "Uit onze gegevens per 1 oktober 1999 is gebleken dat u als zelfstandige voldoet aan de voorwaarden voor ziekenfondsverzekering in 2000." Voor verdere motivering van de afwijzing van mijn bezwaar wordt verwezen naar een in algemene bewoordingen gestelde bijlage.
Artikel 7:12 lid 1 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna te noemen Awb) bepaalt: "De beslissing op het bezwaar dient te berusten op een deugdelijke motivering, die bij de bekendmaking van de beslissing wordt vermeld. Daarbij wordt, indien ingevolge artikel 7:3 van het horen is afgezien, tevens aangegeven op welke grond dat is geschied."
Het in beroep bestreden besluit is op grond van de volgende redenen in strijd met voornoemd artikel van de Awb:
- De vermelding van enig wettelijk voorschrift ontbreekt. Met name wordt nergens aangeven op welke artikelen van de Ziekenfondswet en de Regeling tijdvak en inkomen ziekenfondsverzekering zelfstandigen de beschikking is gebaseerd.
- De beschikking laat onvermeld op grond van welke bedragen (lees: belastbare inkomens) mijn verzekeringsplicht is vastgesteld.
- Hoewel ik niet ben gehoord, wordt nergens vermeld op grond waarvan dat niet is gebeurd.
- ELEMENTEN DIE IN BEZWAAR ZIJN AANGEVOERD MAAR WAAROP DOOR DE INSPECTEUR NIET IS INGEGAAN.
Het feit dat de in beroep bestreden beschikking bovenstaande motiveringsgebreken vertoont klemt temeer nu hierop reeds uitdrukkelijk gewezen is in bezwaar. Daarbij wijs ik er op dat het motiveringsbeginsel zoals neergelegd in artikel 7:12 lid 1 Awb van materieelrechtelijke aard is (zie bijvoorbeeld CRvB 21-12-1999, nr. 98/599 NABW). Strijd met het motiveringsbeginsel dient derhalve tot vernietiging van het bestreden besluit te leiden.
4. Het in beroep bestreden besluit is in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel.
Het materiële rechtszekerheidsbeginsel zoals dat op basis van de jurisprudentie geldt binnen het bestuursrecht brengt met zich mee dat altijd het geldende recht moet worden toegepast en dat besluiten niet met terugwerkende kracht mogen worden gewijzigd ten nadele van burgers. Welnu, de regels die de inspecteur heeft gehanteerd bij het vaststellen van de verzekeringsplicht bepalen dat ik verplicht verzekerd ben indien het gemiddelde van mijn belastbaar inkomen over een twee- of drietal jaren in het verleden minder bedraagt dan een bepaald bedrag.
Een zelfstandige kan de hoogte van zijn belastbaar inkomen in hoge mate beïnvloeden. Dit kan enerzijds door het al dan niet gebruikmaken van allerlei fiscale voorzieningen zoals willekeurige afschrijving (al dan niet in combinatie met financieringen), zelfstandigenaftrek, startersaftrek, hypotheekrente-aftrek, FOR, etc. en anderzijds door al dan niet meer inspanningen te verrichten om extra opdrachten te verwerven of extra producten te verkopen. Bij de keuze om al dan niet gebruik te maken van deze mogelijkheden, ja zelfs bij de keuze om al dan niet zelfstandig ondernemer te worden, laat de zelfstandige zich leiden door wettelijke regels die hiervoor op dat moment gelden. Door nu de verzekeringsplicht te verbinden
aan het belastbaar inkomen over een periode in het verleden worden met terugwerkende kracht rechtsgevolgen verbonden aan beslissingen die de zelfstandige heeft genomen zonder dat hij ten tijde van het nemen van deze beslissingen hiervan op de hoogte was. Het rechtszekerheidsbeginsel verzet zich hiertegen indien de rechtsgevolgen de zelfstandige in enigerlei vorm benadelen. Nu ik door de verplichte ziekenfondsverzekering op jaarbasis fors meer premie moet gaan betalen dan via mijn huidige particuliere verzekering zijn de regels die de verzekeringsplicht koppelen aan mijn belastbaar inkomen in het verleden in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel. Gelet hierop is het niet mogelijk om de verzekeringsplicht te
koppelen aan het belastbaar inkomen in enig jaar voor 2000. Immers, pas in het jaar 2000 kan ik bij de bepaling van mijn belastbaar inkomen rekening gaan houden met een mogelijke verzekeringsplicht.
Ter illustratie van mijn betoog dat er sprake is van strijd met het rechtszekerheidsbeginsel twee citaten uit het bestuursrechtelijke standaardwerk "Hoofdstukken van administratief recht", beter bekend als "Van Wijk/Konijnenbelt", zevende druk:
- pagina 99: "De rechtsstaatsgedachte wil de burgers beschermen tegen onzekerheid, tegen willekeur van de kant van de overheid. Iemands rechtspositie moet safe zijn en niet op onverwachte, onberekenbare wijze kunnen worden aangetast. Vandaar het legaliteitsbeginsel."
- pagina 42: "Ten slotte wil het wetmatigheidsbeginsel de rechtszekerheid bevorderen. Wanneer ingrepen van overheidswege alleen mogelijk zijn op basis van een wettelijke regeling, maakt die regeling dat is althans de opzet het overheidsoptreden ook voorspelbaar: aan de hand van de bestaande wettelijke bepalingen kan in beginsel worden nagegaan wat men van de kant van de overheid te verwachten heeft; daarop kunnen de burgers hun handelen dus afstemmen."
Welnu, ik heb in de jaren 1995, 1996 en 1997 mijn handelingen in het geheel niet af kunnen stemmen op een eventuele verzekeringsplicht in 2000. Dit was in de betreffende jaren immers nog niet bekend.
Ten overvloede merk ik op dat bovenstaande argumenten niet terzijde geschoven kunnen worden met toepassing van artikel 8:2 Awb zoals de minister heeft betoogd tijdens de behandeling van wetsvoorstel 26553 in de Eerste Kamer. Artikel 8:2 Awb verzet zich namelijk niet tegen het betwisten van de rechtmatigheid van een algemeen verbindend voorschrift indien een hierop gebaseerd uitvoeringsbesluit wordt aangevochten. Daar komt nog bij dat artikel 8:2 Awb in casu niet van toepassing is. Hoofdstuk V van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, dat hier voor wat betreft het procesrecht geldt, laat artikel 8:2 Awb buiten toepassing.
Voor zover de inspecteur van mening is dat de ziekenfondsplicht voortvloeit uit een wet in formele zin en dat de belastingdienst in de uitvoering hiervan geen beleidsvrijheid toekomt merk ik het volgende op.
Door deze stelling in te nemen miskent de inspecteur dat de verzekeringsplicht niet alleen gebaseerd is op een wet in formele zin, doch tevens op een ministeriële regeling. Deze regeling bepaalt namelijk over welke jaren het inkomen van de belanghebbende in aanmerking wordt genomen en is daarmee van doorslaggevende betekenis voor de vraag of een zelfstandige verplicht verzekerd is. Een ministeriële regeling is geen wet in formele zin. Dit maakt dat de rechter zowel de regeling als de toepassing ervan moet toetsen aan hogere regelgeving alsmede het ongeschreven recht, met inbegrip van het rechtszekerheidsbeginsel (vergelijk HR 1-12-1993, nr. 243). Door te kiezen voor een ministeriële regeling heeft het parlement
een dergelijke rechterlijke toetsingsplicht impliciet aanvaard.
Geheel ten overvloede merk ik nog het volgende op. De Raad van State heeft de regering aanbevolen om de verzekeringsgrondslag (de jaren waarover het inkomen wordt meegenomen) in de wet op te nemen in plaats van een ministeriële regeling. Dit ter wille van de rechtszekerheid! Zie TK 1998-1999, 26 553, B, pagina 3.
5. Het in beroep bestreden besluit berust op een ministeriële regeling die in strijd is met het vertrouwensbeginsel.
De bepaling van mijn verzekeringsplicht voor de Ziekenfondswet geschiedt aan de hand van artikel 3d van deze wet. Het vierde lid van dit artikel bepaalt dat bij ministeriële regeling kan worden bepaald over welk tijdvak het inkomen in aanmerking wordt genomen. De inmiddels vastgestelde ministeriële regeling bepaalt dat in aanmerking wordt genomen het gemiddelde van mijn belastbare inkomens over de jaren 1995, 1996 en 1997. Dit is in strijd met het vertrouwensbeginsel. Daartoe is het volgende van belang.
In mijn doen en laten als ondernemer in de jaren 1995, 1996 en 1997 heb ik mij gebaseerd op en laten beïnvloeden door de toenmalig geldende wettelijke regels. Zo heb ik ondermeer aanzienlijke bedragen geïnvesteerd en direct ten laste van het resultaat van mijn onderneming gebracht. Ik had in deze ook andere keuzes kunnen maken en daardoor een hoger belastbaar inkomen kunnen hebben. Ik heb er echter op vertrouwd dat ik op basis van de toenmalige rechtsregels alle rechtsgevolgen kon overzien van mijn handelingen, hoe kon ik ook anders. In dit verband zijn de volgende feiten en omstandigheden relevant:
- Mijn echtgenote verdiende in de betreffende jaren een inkomen van ongeveer Fl. ,- netto per maand. Ruim voldoende om samen van te kunnen leven. Ik kon derhalve mijn omzet direct opnieuw in de onderneming investeren en heb dat ook gedaan.
- Ik voerde mijn onderneming vanuit mijn eigen woning en had dus geen huurkosten.
- Mijn belangrijkste activiteiten als ondernemer bestonden in de betreffende jaren uit het schrijven van boeken over de Algemene bijstandswet, het geven van juridische adviezen inzake de Algemene bijstandswet aan gemeenten en het verzorgen van cursussen (in-company). Deze activiteiten zijn niet of nauwelijks kapitaalintensief. In principe had ik kunnen volstaan met een computer, een printer, literatuur en een telefoon, met als gevolg zeer lage kosten.
- De omzet van mijn onderneming bedroeg in 1995 Fl. ,- (periode september t/m december), in 1996: Fl. ,- en in 1997: Fl. ,-.
Gelet op bovenstaande feiten en omstandigheden had ik mijn belastingaangiften over de betreffende jaren desgewenst zodanig kunnen inrichten dat mijn gemiddeld belastbaar inkomen ruimschoots boven de wettelijke grens voor verplichte ziekenfondsverzekering zou liggen. De fiscale regels en wetten laten het echter niet toe om dit met terugwerkende kracht alsnog te doen.
Ter illustratie van mijn betoog dat er sprake is van strijd met het vertrouwensbeginsel een citaat uit het bestuursrechtelijke standaardwerk "Hoofdstukken van administratief recht", beter bekend als "Van Wijk/Konijnenbelt", zevende druk, pagina 104:
"Het vertrouwensbeginsel verlangt dat de overheid gewekt vertrouwen niet mag beschamen. Wie op goede gronden meende te mogen vertrouwen dat een overheidsorgaan een bepaald beleid zou voeren en op grond daarvan dingen heeft gedaan die hij anders niet, of op een andere manier zou hebben gedaan, wordt door het vertrouwensbeginsel beschermd.
(..)
De verwachting, het vertrouwen, moet op voldoende gronden berusten; en veelal wordt vereist dat dit vertrouwen de betrokken burger heeft aangezet tot handelingen die hij anders zou hebben nagelaten, zodat hij schade lijdt als het vertrouwen zonder meer zou worden beschaamd."
6. Het in beroep bestreden besluit berust op een ministeriële regeling die in strijd is artikelen 3:2 en 3:4 Awb, althans het zorgvuldigheidsbeginsel en het evenredigheidsbeginsel
De regels die worden gehanteerd voor het vaststellen van de verzekeringsplicht zoals die zijn neergelegd in de ministeriële regeling verbinden met terugwerkende kracht rechtsgevolgen aan rechtsfeiten in het verleden. Het verbinden van terugwerkende kracht aan besluiten is in het bestuursrecht aan strikte voorwaarden verbonden. In feite kan gesteld worden dat terugwerkende kracht alleen bij wijze van uitzondering mogelijk is. Een bestuursorgaan zal derhalve een grote mate van zorgvuldigheid moeten betrachten en nadrukkelijk oog moeten hebben voor de belangen van burgers die door de terugwerkende kracht benadeeld worden. Doet zij dit niet, dan handelt zij in strijd met het recht.
De tekst van de ministeriële regeling houdt op geen enkele wijze rekening met het feit van de nadelige gevolgen van de terugwerkende kracht, de onvoorzienbaarheid van deze regeling in de jaren waarop de regeling nu teruggrijpt alsmede het feit dat het een zelfstandige niet is toegestaan om zijn belastingaangifte over de betreffende jaren te wijzigen. Dit maakt het besluit in strijd met de artikelen 3:2 en 3:4 Awb, althans het zorgvuldigheidsbeginsel en het evenredigheidsbeginsel. Het had in dit verband op de weg van de minister gelegen om bij wijze van overgangsregeling ten minste een hardheidsclausule op te nemen op basis waarvan de verzekeringsplicht vastgesteld zou kunnen worden aan de hand van een schatting van
het belastbaar inkomen van de zelfstandige over 2000, dan wel 1999. Dit is ook meer in overeenstemming met het doel van de wet, namelijk het tegen betaalbare kosten verzekeren tegen ziektekosten van zelfstandigen met een duurzaam laag inkomen. Met name zelfstandigen die, zoals ondergetekende, in de periode 1995-1997 starter waren worden nu onevenredig benadeeld. Zij hebben nu veelal een duurzaam hoger inkomen en behoren niet tot de doelgroep van de wet. Ter illustratie vermeld ik hierbij dat de omzet van mijn onderneming over 1998 Fl. ,- bedroeg en over 1999 Fl. ,-. Ik behoor dus helemaal niet tot de doelgroep van de wet. Mijn voornaamste grief is dan ook niet gericht tegen de verzekeringsplicht sec, maar
tegen het feit dat ik ondanks dat ik niet tot de doelgroep behoor enkel verplicht verzekerd ben omdat de minister zich kennelijk niet de moeite wil getroosten om de uitvoeringsregeling zodanig vorm te geven dat hiermee rekening wordt gehouden en dat de minister ook op geen enkele andere wijze de uit de regeling voor mij voortvloeiende onevenredige nadelige gevolgen wenst te compenseren. Dit klemt temeer nu de oplossing voor mijn probleem, namelijk het werken met een schatting, wel wordt gehanteerd ten aanzien van andere groepen belanghebbenden.
Ter ondersteuning van bovenstaand betoog verwijs ik naar de uitspraak van de Hoge Raad van 18 januari 1991, AB 1991, nr. 241, het zogenaamde Swill-arrest. Hieruit kan worden afgeleid dat de rechter een regeling (in casu de ministeriële regeling) ook kan toetsen aan het evenredigheidsbeginsel in concreto en dat de toetsing aan het evenredigheidsbeginsel niet alleen gehanteerd kan worden bij beschikkingen, maar ook bij besluiten van algemene strekking. Zie hierover Prof. mr. R.M. van Male en Prof. mr. B.W.N. de Waard in "Besluiten", deel A-2 in de serie monografieën Algemene wet bestuursrecht, Kluwer, 1995, p.115 en 116.
7. Het in beroep bestreden besluit is in strijd met het recht nu de regering, hoewel daartoe bevoegd, niet heeft voorzien in een overgangsregeling.
De Ziekenfondswet en de daarop gebaseerde ministeriële regeling zoals die luiden met ingang van 1 januari 2000 brengen een belangrijke wijziging in de ziektekostenverzekeringspositie van grote groepen zelfstandigen. Was er voorheen volledige vrijheid, nu ontstaat er, onder omstandigheden, een verzekeringsplicht. Hoe deze omstandigheden worden vastgesteld, ligt vast in een ministeriële regeling. Daarnaast heeft de regering de bevoegdheid om bij algemene maatregel van bestuur de kring van verplicht verzekerde zelfstandigen desgewenst te verruimen en te beperken (artikel 3d lid 6 Zfw).
Vast staat dat ik schade lijd en in de toekomst zal kunnen lijden door de verplichte ziekenfondsverzekering. Ik ga immers meer premie betalen en ben mogelijk in de toekomst een fors hogere premie verschuldigd zodra ik weer particulier verzekerd word (dat dit laatste gebeurt staat nu reeds vast, gelet op de hoogte van mijn actuele inkomen). Daarnaast is er het risico van acceptatieproblemen indien ik tijdens mijn periode van verplichte ziekenfondsverzekering te maken krijg met aanzienlijke medische klachten of, erger nog, bij het vertrek uit de particuliere verzekering al heb.
Nu de ministeriële regeling, in tegenstelling tot hetgeen in het Nederlandse recht gebruikelijk is, niet voorziet in een overgangsregeling waarin rekening wordt gehouden met de schade die ik lijd en kan gaan lijden, althans nu de regering ervoor heeft gekozen om geen gebruik te maken van haar bevoegdheid om dit (bij AMvB of ministeriële regeling) te regelen, is er sprake van strijd met het recht. In dit verband verwijs ik wederom naar de uitspraak van de Hoge Raad van 18 januari 1991, AB 1991, nr. 241, het zogenaamde Swill-arrest.
Voor zover de inspecteur van mening is dat ik geen schade zal lijden omdat het bij vrijwel alle ziektekostenverzekeraars mogelijk is om na een periode van 1 tot 3 jaar ziekenfondsverzekering terug te keren naar de oude particuliere polis merk ik nog het volgende op.
Op landelijk niveau is in het geheel geen sprake van een uniforme terugkeergarantieregeling. Er is ook geen advies van de overkoepelende branche-organisaties terzake. Bovendien gelden dergelijke terugkeerregelingen alleen indien de verzekerde de ziekenfondsverzekering aangaat bij de verzekeraar waarbij hij nu reeds particulier verzekerd is, terwijl dan nog een groot aantal beperkende voorwaarden van toepassing zijn. Er zijn echter vele ziektekostenverzekeraars die de Ziekenfondswet uitvoeren. Deze hebben ieder eigen voorwaarden voor wat betreft aanvullende verzekeringen en (nominale) premies. Het is dus zeer goed mogelijk dat de verzekeraar met de voor mij meest gunstige voorwaarden voor ziekenfondsverzekering
(inclusief aanvullende verzekeringen) een andere is dan de verzekeraar bij wie ik nu particulier verzekerd ben. Op grond van de Ziekenfondswet heb ik zelfs het recht om zelf te kiezen bij welke verzekeraar ik me voor het ziekenfonds wil verzekeren. Hieruit volgt dat er per saldo geen terugkeergarantie bestaat en dat een eventueel beroep hierop door de inspecteur in strijd is met de wet.
8. Het in beroep bestreden besluit berust op een ministeriële regeling die in strijd is met gelijkheidsbeginsel.
Sinds 1 januari 1999 voer ik mijn onderneming in de vorm van een VOF, samen met mijn echtgenote. Wij zijn ieder gerechtigd tot de helft van de winst. Ik ben verplicht verzekerd, mijn vrouw niet. Dit terwijl we beiden hetzelfde inkomen hadden in 1999 en zullen hebben in 2000. Er is derhalve sprake van strijd met het gelijkheidsbeginsel. Weliswaar wordt mijn vrouw in het kader van de ministeriële regeling aangemerkt als starter en ik niet, doch dit feit is van ondergeschikte betekenis. Doel van de wet is immers het verzekeren van zelfstandigen met een laag inkomen. Niet valt in te zien waarom twee personen binnen eenzelfde onderneming met hetzelfde (gelet op het doel van de wet) hoge inkomen ongelijk worden behandeld.
Ook hier is weer het aspect van de terugwerkende kracht en de daarmee samenhangende zorgvuldigheidseis van belang. Zonder in strijd te handelen met het doel van de wet had de minister voor deze gevallen een hardheidsclausule op kunnen nemen op basis waarvan gewerkt kan worden met een schatting van het actuele inkomen.
9. Het in beroep bestreden besluit is in strijd met gelijkheidsbeginsel
Werknemers betalen 1,75% ziekenfondspremie over hun brutoloon; de werkgever betaalt 6,35% over het betreffende brutoloon. Deze 1,75% en 6,35% vormen geen onderdeel van een onderlinge arbeidsovereenkomst of een CAO, maar worden bepaald bij ministeriële regeling (artikel 15, tweede lid van de Ziekenfondswet) en is voor 2000 vastgesteld in de publicatie van het Ministerie van VWS Z/F-2019845 van 29 november 1999.
Eveneens bij ministeriële regeling vastgelegd (artikel 15, eerste lid van de Ziekenfondswet) wordt het totale percentage; in bovengenoemde publicatie is dat gesteld op 8,1% voor het jaar 2000. Zelfstandigen worden verplicht om de totale premie zelf te betalen. Dat betekent dat een zelfstandige 4,6 keer meer ziekenfondspremie moet betalen dan een werknemer met een vergelijkbaar inkomen. Er is geen argument denkbaar dat dit onrechtvaardig grote verschil kan onderbouwen. Als de inspecteur in zijn algemene toelichting op de afwijzing van het bezwaarschrift stelt dat "een startende ondernemer niet gelijk is aan een ondernemer die reeds enige jaren een onderneming drijft" waarom zou een zelfstandige dan wel gelijkgesteld
moeten worden met een werknemer in die zin dat elke persoon in totaal 8,1% premie moet betalen. Immers, in bovengenoemde ministeriële regelingen wordt ook een onderscheid gemaakt tussen 'gewone werknemers' en 'zeevarenden'. Wat belet de regering om hier dan een derde categorie aan toe te voegen, te weten de 'kleine zelfstandige' waarvoor eveneens een afwijkend percentage wordt vastgesteld. Derhalve is het onrechtvaardig en in strijd met het gelijkheidsbeginsel als ik word aangeslagen voor 8,1% premie in plaats van 1,75%.
10. Het in beroep bestreden besluit berust op een ministeriële regeling die in strijd is met de Grondwet, althans het recht.
De ministeriële regeling is in strijd met het delegatieverbod van art. 104 van de Grondwet, althans het recht, nu deze regeling grotendeels bepalend is voor de verzekeringsplicht. Een dergelijke zware verplichting kan mijns inziens alleen worden gebaseerd op een wet in formele zin.
11. Het in beroep bestreden besluit is in strijd met de wet, althans het zorgvuldigheidsbeginsel
Artikel 3:2 Awb bepaalt: "Bij de voorbereiding van een besluit vergaart het bestuursorgaan de nodige kennis omtrent de relevante feiten en de af te wegen belangen." In de bestuursrechtelijke jurisprudentie wordt dit ook wel het zorgvuldigheidsbeginsel genoemd.
Het bestreden besluit is op grond van de volgende redenen in strijd met voornoemd artikel van de Awb:
- De inspecteur heeft voorafgaand aan het nemen van het bestreden besluit niet onderzocht in hoeverre de verzekeringsplicht voor mij nadelige gevolgen zou hebben en in hoeverre deze zouden kunnen worden opgeheven.
- Het bestreden besluit is gedateerd op 21 januari 2000. De daarin vervatte verzekeringsplicht gaat in per 1 januari 2000. Dit betekent dat ik iets meer dan vijf weken de tijd heb om mij (voor 1 maart 2000) te verzekeren bij een ziekenfonds.
Tijdens de mondelinge behandeling van wetsvoorstel 26553 in de Tweede Kamer verklaarde de minister in dit verband het volgende: "Het is van groot belang dat de wet op tijd in het Staatsblad wordt geplaatst om aan zelfstandigen op tijd een rechtsgeldige beschikking te kunnen afgeven over hun verzekeringssituatie Ook voor de zelfstandigen zelf is tijdigheid van groot belang. Zij moeten tijd hebben om zich te oriënteren op een andere verzekeringssituatie." Reeds eerder in de parlementaire behandeling werd vastgesteld dat onder tijdig in dit verband minimaal een periode van twee maanden verstaan moest worden (waarbij overigens uit wordt gegaan van een beschikking per 1 november!). De huidige uitvoering van
de wet is dus ook volgens de wetgever in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel. Echter, ook los van dit argument kan betoogd worden dat een termijn van een week of vijf te kort is. Hiervoor zijn meerdere redenen aan te voeren. Om er enkele te noemen:
- Er zijn in Nederland vele ziektekostenverzekeraars die de Ziekenfondswet uitvoeren. Iedere verzekeraar heeft eigen voorwaarden en bepalingen inzake aanvullende verzekeringen en de hoogte van de verschuldigde nominale ziekenfondspremie. De zelfstandige die zich verplicht moet verzekeren zal dus bij al deze verzekeraars informatie moeten aanvragen en vervolgens op basis van de ontvangen gegevens een keuze moeten maken. Daarbij is het een feit van algemene bekendheid dat veel verzekeraars telefonisch slecht bereikbaar zijn, hetgeen het inwinnen van nadere informatie bemoeilijkt.
- Ik zal mij niet alleen moeten informeren over de voorwaarden die de verzekeraars bieden voor een ziekenfondsverzekering, maar ook op hun voorwaarden voor een particuliere polis en de mogelijkheden om na beëindiging van de ziekenfondsverzekering zonder medische selectie over te stappen naar een voor mij passende particuliere polis.
12. Het in beroep bestreden besluit is in strijd met de wet nu ik in het kader van de voorbereiding hiervan niet ben gehoord,
Artikel 7:2 lid 1 Awb bepaalt: "Voordat een bestuursorgaan op het bezwaar beslist, stelt het belanghebbenden in de gelegenheid te worden gehoord."
Ik ben door de inspecteur niet in de gelegenheid gesteld om in het kader van de behandeling van mijn bezwaarschrift te worden gehoord. Nu 7:3 Awb hier niet van toepassing is, is het in beroep bestreden besluit derhalve in strijd met de wet genomen.
Voor zover dat hierboven nog niet is gebeurd, handhaaf ik ook voor het overige onverkort mijn bezwaren tegen het besluit zoals ik die heb verwoord in mijn bezwaarschrift (zie bijlage 2). De argumenten van de inspecteur waarmee hij deze heeft willen weerleggen in zijn uitspraak op het bezwaar kunnen mij niet overtuigen.
Gelet op het bovenstaande verzoek ik u:
- het bestreden besluit te vernietigen;
- te bepalen dat de inspecteur voornoemd een nieuwe beschikking neemt waarin hij verklaart dat ik niet voldoe aan de voorwaarden voor verplichte ziekenfondsverzekering;
- de Staat der Nederlanden te veroordelen in de proceskosten, bestaande uit: (1) verletkosten in verband met de benodigde tijd voor het schrijven van dit beroepschrift en het bijwonen van de in het kader van dit beroep te houden rechtszitting (inclusief de reistijd) en (2) de nader te specificeren kosten in verband met het in het kader van deze procedure aangetekend te verzenden stukken;
- de Staat der Nederlanden te veroordelen in het door mij verschuldigde griffierecht.
Hoogachtend,
NAAM, ADRES, WOONPLAATS.
Dit document is ook in Word en WordPerfect formaat beschikbaar.
Lees het laatste nieuws op http://www.monitor.nl/ziek.html!