Conclusie


Nr. 36.621 mr Wattel
Derde Kamer B Conclusie in de zaak:
Art. 3d, lid 2 Ziekenfondswet de Staatssecretaris van Financiën
tegen
A. B.
28 december 2001

1 Feiten en procesverloop

1.1 De belanghebbende is in 1995 zeer ernstig ziek geweest. Het ziekteverloop was - kort samengevat - als volgt: na de eerste drie dagen werd haar overlevingskans op nul geschat; haar familie heeft toen afscheid van haar genomen. In de daarop volgende periode heeft zij drie weken in coma gelegen op de intensive care van een ziekenhuis. Zij werd tot vier maal toe gereanimeerd. In de medische literatuur wereldwijd waren nog geen tien gevallen bekend van patiënten die haar toestand hebben overleefd. Belanghebbendes medische behandeling was deels experimenteel en kostte haar particuliere verzekeringsmaatschappij enkele honderdduizenden guldens. Na thuiskomst was pressie door de verzekeringstussenpersoon nodig om de noodzakelijke thuiszorg te verkrijgen (kennelijk via de AWBZ). Het ziektebeeld kan zich herhalen. Een beëindiging van haar particuliere verzekering kan niet alleen financieel negatieve gevolgen hebben, maar kan ook tot een verslechtering van de zorgverlening leiden.
1.2 De belanghebbende is sinds 1 januari 1997 onderneemster. Per die datum trad zij toe als maat tot het voordien als eenmanszaak gedreven raadgevend ingenieursbureau van haar echtgenoot. Zij is daarnaast in dienstbetrekking werkzaam als docent/directeur                                               loon in 1997 van f 17.425. Haar vastgestelde belastbare inkomen als bedoeld in artikel 3d, vierde lid, van de Ziekenfondswet bedroeg over het jaar 1997 f 31.180.
1.3 De belanghebbende is verzekerd ingevolge artikel 3, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen.
1.4 De inspecteur heeft bij beschikking met dagtekening 9 november 1999 aan de belanghebbende een verklaring toegezonden als bedoeld in artikel 3d, tweede lid, van de Ziekenfondswet inhoudende dat de belanghebbende voldoet aan de voor het jaar 2000 geldende voorwaarden voor wettelijke ziekenfondsverzekering. De belanghebbende was ten tijde van deze beschikking tegen ziektekosten verzekerd bij een particuliere ziektekostenverzekeraar. Haar situatie valt onder art. 4, lid 2, letter b, van de krachtens art. 3d Ziekenfondswet (ZFW) gegeven Regeling tijdvak en inkomen ziekenfondsverzekering zelfstandigen, hetgeen meebrengt dat voor haar ziektekostenverzekeringspositie in 2000 de hoogte van haar inkomen in 1997 bepalend is. Dat inkomen lag beneden de ziekenfondsgrens, zodat de (declaratoire) beschikking van de inspecteur in beginsel terecht is afgegeven.
1.5 Op het bezwaar van belanghebbende tegen de in 1.4 bedoelde beschikking heeft de Inspecteur op 2 februari 2000 uitspraak gedaan waarbij (a) de in 1.4 bedoelde beschikking is herroepen omdat zij te vroeg (vóór inwerkingtreding van de genoemde ministeriële Regeling) was afgegeven, (b) het tegen die beschikking gerichte bezwaar is afgewezen, en (c) in plaats van de herroepen beschikking een nieuwe beschikking is genomen.
1.6 De belanghebbende heeft bij het Hof Arnhem beroep ingesteld tegen de in 1.5 bedoelde uitspraak. Zij heeft verklaard bereid te zijn haar aangifte inkomstenbelasting 1997 te herzien en afstand te doen van een aantal opgevoerde en toegekende aftrekposten teneinde haar toetsinkomen voor de ziekenfondsverzekering 2000 boven de ziekenfondsgrens te doen uitkomen. Door de fiscus is op dat voorstel niet ingegaan.
1.7 De belanghebbende heeft voorts bij een op 15 februari 2000 ingekomen verzoek de President van het Hof verzocht om de werking van het besluit dat is neergelegd in de in 1.4 bedoelde uitspraak te schorsen en bij wege van voorlopige voorziening te beslissen dat de belanghebbende gedurende de behandeling van het beroepschrift wordt behandeld als zou hij niet voldoen aan de voorwaarden voor ziekenfondsverzekering in 2000.
1.8 Bij zijn uitspraak van 13 april 2000 heeft de President het verzoek toegewezen en de bestreden beschikking geschorst tot de beslissing in de bodemprocedure onherroepelijk is komen vast te staan.

2 Geschil voor het Hof Arnhem

Voor het Hof Arnhem houdt de partijen verdeeld of de Inspecteur terecht de in 1.4 bedoelde verklaring heeft verstrekt, hetgeen belanghebbende bestrijdt en de Inspecteur verdedigt. De belanghebbende verzoekt het bestreden besluit te vernietigen en de Inspecteur te gelasten een verklaring af te geven dat zij niet voldoet aan de voorwaarden als bedoeld in artikel 3d, eerste lid, van de Wet. De Inspecteur concludeert tot bevestiging van zijn uitspraak.

3 Achtergrond

Voor een overzicht van de (politieke) achtergronden, de regelgeving, de parlementaire geschiedenis en het juridische beoordelingskader verwijs ik naar de bijlage bij deze conclusie, die tevens bijlage vormt bij de bij u aanhangige zaken met rolnummers 36.558 en 36.642.

4 De uitspraak van het Hof

Het Hof is na bestudering van de wetsgeschiedenis van de Wet zelfstandigen in de ziekenfondswet (ZZFW) van oordeel dat de krachtens art. 3d, lid 4, Ziekenfondswet (ZFW) gegeven ministeriële Regeling tijdvak en inkomen ziekenfondsverzekering zelfstandigen een zodanige gebrekkige uitwerking bevat van de formele wet dat die Regeling in het geval van de belanghebbende buiten toepassing moet worden gelaten:
"5.4.2. De Regeling koppelt aldus de verzekeringsplicht aan de inkomenshoogte van slechts één toetsjaar - waarbij dan ingevolge artikel 4, vijfde lid, van de Regeling, in daarvoor in artikel 2, tweede lid tot en met het vijfde lid, bedoelde gevallen, nog de mogelijkheid bestaat dat in aanmerking wordt genomen hetzij het voorlopig vastgestelde inkomen, hetzij het inkomen volgens de aangifte, hetzij het laatste door de belastingplichtige aan de Inspecteur opgegeven inkomen, dan wel het door de Inspecteur te schatten inkomen.
5.4.3. Belanghebbende verdedigt terecht dat door een zodanige koppeling onvoldoende wordt recht gedaan aan het door de wetgever voor artikel 3d van de Wet geformuleerde uitgangspunt dat voorkomen moet worden dat een zelfstandige zich regelmatig op een andere wijze tegen ziektekosten zou moeten verzekeren. (...)"

5 Geschil in cassatie

5.1 De staatssecretaris van Financiën stelt één middel van cassatie voor dat in essentie inhoudt dat het Hof (i) miskent dat aangenomen mag worden dat de ministeriële Regeling, gezien de tijdens de parlementaire behandeling gegeven voorbeelden, een exacte uitwerking vormt van hetgeen de wetgever voor ogen stond zodat van onmiskenbare onverbindendheid van de Regeling geen sprake kan zijn, (ii) ten onrechte voorbij gaat aan de wens van de wetgever de inkomenstoets voor de ziekenfondsverzekering van zelfstandigen te baseren op betrouwbare gegevens, en (iii) een eigen beleidskeuze in de plaats stelt van die van de "wet- en regelgever."

5 Beoordeling

5.1 Zoals uit het overzicht in de bijlage bij deze conclusie blijkt, is de bedoeling van de ZZFW om zelfstandigen met een bescheiden inkomen toegang te garanderen tot een betaalbaar en volledig verzekeringspakket. Uit deze doelstelling vloeit geenszins voort dat zelfstandigen die reeds betaalbaar en volledig particulier verzekerd zijn, gedwongen moeten worden hun particuliere verzekering te verlaten en al helemaal niet dat zij gedwongen worden korte tijd daarna zich te onderworpen aan acceptatie door een particuliere verzekeraar die zij nog steeds gehad zouden hebben als de Staat hen niet naar het ziekenfonds had gedwongen.
5.2 De genoemde Regeling van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport gaat voor de bepaling van de verzekeringsvorm in jaar n in beginsel uit van een toetsinkomen bestaand uit het gemiddelde inkomen over de jaren n-5 t/m n-3, een en ander op grond van twee overwegingen: (i) een jojo-effect (ziekenfonds in - ziekenfonds uit) moet worden voorkomen, althans gedempt, door inkomensmiddeling, en (ii) er moet zoveel mogelijk worden uitgegaan van betrouwbare inkomensgegevens, dat zijn gegevens zoals die door de belastingdienst zijn vastgesteld. Voor de startende ondernemers, althans ondernemers zonder een zo lang zelfstandigenverleden is een starters- en overgangsregeling opgenomen. Op grond daarvan is voor de bepaling van de verzekeringsplicht in sommige gevallen het inkomen van slechts één (oud) jaar (het startjaar) beslissend, óók indien dat inkomen geenszins representatief is (hetgeen in een startjaar zelden het geval zal zijn), óók indien dat inkomen niet door de belastingdienst is vastgesteld (en dus in de ogen van de wetgever onbetrouwbaar is), óók indien gegevens over latere jaren voorhanden zijn en zelfs indien er al een inkomen over een later jaar door de belastingdienst is vastgesteld en aan betrouwbaarheid dus volgens de wetgever niet meer getwijfeld hoeft te worden. Voor (quasi-)starters bestaat voorts niet de mogelijkheid om gebruik te maken van de keuzemogelijkheid die gewone ondernemers wel hebben, nl. om naar eigen inzicht één jaar buiten aanmerking te laten.
5.3 De belanghebbende valt onder de overgangsregeling voor quasi-starters. Haar verzekeringspositie in 2000 wordt bepaald op basis van haar inkomen van één jaar, nl. 1997, in welk jaar zij haar ondernemingsactiviteiten startte. Op grond daarvan moet zij zich bij het ziekenfonds verzekeren. Het is echter duidelijk dat, gezien de reeds voorhanden gegevens over de hoogte van haar inkomen in de jaren 1998 en 1999, haar toetsinkomen de ziekenfondsgrens binnen één of maximaal twee jaar zal overschrijden, waardoor zij het ziekenfonds weer zal moeten verlaten en zich weer zal moeten zien te verzekeren bij een particuliere verzekeraar. Gezien belanghebbendes gezondheidstoestand is niet aannemelijk dat particuliere verzekeraars in de rij zullen staan om haar te verzekeren zonder uitsluitingen en zonder premie- en/of eigen-risicoverhoging ten opzichte van haar oude particuliere verzekering, die zij op grond van deze regelgeving moest verlaten.
5.4 Ik meen met het Hof Arnhem dat in de omstandigheden van belanghebbendes geval de Regeling zodanig uitwerkt dat van een onredelijk en willekeurig resultaat moet worden gesproken dat de wetgever niet voor ogen kan hebben gestaan en dat niet beantwoordt aan de doelstelling van de wet, terwijl bovendien een ongelijkheid tussen starters en niet-starters wordt gecreëerd waarvoor geen zichtbare rechtvaardiging bestaat en die niet voortvloeit uit het verschil tussen een starter en een niet-starter. Men zou juist verwachten dat bij (quasi-)starters het startjaarinkomen zo snel mogelijk buiten beschouwing gelaten wordt als atypisch. Het vasthouden aan één jaar (het in belanghebbendes geval in alle opzichten atypische startjaar) dient in belanghebbendes geval noch `s wetgevers wens tot aansluiting bij een meer duurzaam inkomensperspectief, noch diens wens tot onmanipuleerbaarheid van gegevens, welke laatste wens op zichzelf al weer moeilijk te verklaren valt in het licht van de aan niet-starters gegunde twee-uit-drie-regeling.
5.5 Voorts meen ik op grond van de in de bijlage vermelde jurisprudentie van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM), met name zijn arrest in de zaak Gaygusuz, dat in casu sprake is van regulerende inmenging van de Staat in het recht van de burger op ongestoord genot van zijn "possessions/biens" in de zin van art. 1 van het Eerste Protocol bij het Europese Verdrag voor de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden (EVRM). Bij een dergelijke regulerende inmenging heeft de Staat een ruime beleidsmarge, maar dient wel een redelijke verhouding te bestaan tussen het beleidsdoel en de individuele gevolgen van het gebruikte middel. Weliswaar is de aanwezigheid van betere beleidsalternatieven op zichzelf geen reden om aan te nemen dat de inbreuk ongerechtvaardigd is, maar in het specifieke geval van de belanghebbende is mijns inziens sprake van een zodanige wanverhouding tussen enerzijds het met de overheidsmaatregel te dienen doel van algemeen belang (met name gezien de moeilijk verklaarbare ruimte tussen de verklaarde beleidsdoelen en wensen en de uitwerking daarvan) en anderzijds de individuele nadelige gevolgen voor de belanghebbende van het daartoe gebruikte middel (met name gezien het risico dat haar ziektebeeld terugkomt), dat zelfs bij een marginale rechterlijke toetsing de conclusie moet zijn dat van een "fair balance" in haar geval geen sprake is.

6 Conclusie

6.1 Ik geef U in overweging het beroep van de Staatssecretaris ongegrond te verklaren.


De Procureur-Generaal
Bij de Hoge Raad der Nederlanden


(a.-g.)