| Het volgende geef ik graag ter discussie. Het is in het bijzonder van belang voor ZZPers (met winst uit onderneming of resultaat uit werkzaamheden) die daarnaast nog 2 banen (en/of uitkeringen en/of pensioenen hebben. Zal niet zo vaak voorkomen, maar wetende dat al bijna de helft van de ZZPers tenminste een inkomstenbron ernaast hebben is het ook niet helemaal uit te sluiten. De ZVW bepaalt krachtens artikel 43.2 dat het jaarlijkse individuele bijdrage-inkomen ten minste nihil en maximaal gelijk is aan een door de minister te stellen bedrag (nemen we aan: 30.000 Euro). Daaruit zou men kunnen afleiden dat iemand nooit een negatieve jaaraanslag zou kunnen krijgen: ten minste nihil dus. Dat klopt in zoverre dat de som van de (door een inhoudingsplichtige) in te houden en op aanslag aan de belastingdienst te betalen inkomensafhankelijke bijdrage ten minste nihil zal zijn. Maar (naar mijn mening) indien 2 werkgevers over een jaar al meer ingehouden en afgedragen hebben dan het maximum (dat we op 6,5% van 30000 kunnen stellen, dus 1950 Euro op jaarbasis), zal over bijdrage-inkomen waarover op aanslag wordt betaald een negatieve aanslag dienen te volgen. Nemen we als voorbeeld een journalist A die een part-time loondienstverhouding heeft bij een krant B (met 30.000 Euro bijdrage-inkomen en stel (voor het gemak) 35.000 Euro fiscaal looninkomen), bij de radio C (ook 30.000 Euro bijdrage-inkomen en 35.000 Euro fiscaal looninkomen). Hij heeft daarnaast uit freelance werk D een resultaat van 30.000 Euro. Hij boert dus goed. Er zijn nu 2 situaties denkbaar. alternatief I. A is weinig mededeelzaam over zijn arbeidsverhoudingen en inkomsten naar zijn beide werkgevers B en C, die hem daartoe ook niet contractueel gedwongen hebben: “je doet er maar naast wat je wilt, in welke arbeidsstatus dan ook, als je maar tijdig aanwezig bent en voldoende kwaliteit levert” zo zeiden zijn bazen bij krant en radio. Beide werkgevers B en C houden inkomensafhankelijke bijdragen in tot voor ieder het maximum van 30000 Euro bijdrage-inkomen en kennen daarover de belaste vergoedingen toe aan A (marginaal tarief voor de loonheffing 42%, maar in de sfeer van de inkomstenbelasting wordt dat 52% aangezien zijn totale fiscale inkomen 90.000 Euro is). Aangezien B en C niets weten van de gezamenlijke overschrijding van het maximum in het bijdrage-inkomen doen ze geen van beide beroep op teruggaaf van het te veel door hen ingehoudene en afgedragene aan inkomensafhankelijke bijdrage (wat krachtens art. 50.1 en 50.2 wel zou kunnen) Financiele gevolgen voor A: - ingehouden inkomensafhankelijke bijdrage: 2*1950= 3900 Euro - op aanslag betaalde inkomensafhankelijke bijdrage: negatief 1950 Euro. (Toelichting: op grond van art. 49.3 wordt de maximale op aanslag te betalen bijdrage verminderd met reeds krachtens 49.1 ingehouden bijdragen, dus: 1950-1950-1950= 1950 Euro negatief). Het komt erop neer dat A het te veel ingehoudene op aanslag terugkrijgt (in plaats van B en C). - netto houdt A aan de twee vergoedingen over: 0,48*2*1950= 1872 Euro Totaal inkomenseffect voor A: -78 Euro Kosten voor elk van de werkgevers B en C: 1950 Euro alternatief II. A speelt open kaart naar zijn beide werkgevers B en C en deze (of A zelf) dienen aan het begin van het lopende jaar gezamenlijk een verzoek in bij de Belastingdienst tot verminderde inhouding van de inkomensafhankelijke bijdrage krachtens art. 50. De inspecteur stemt toe en halveert voor B en C het bijdrage-inkomen tot 15000 Euro. Financiele gevolgen voor A: - ingehouden inkomensafhankelijke bijdrage: 2* 975 Euro = 1950 Euro - op aanslag betaalde inkomensafhankelijk bijdrage: nihil (toelichting: op grond van art 49.3 wordt het maximum verlaagd met reeds ingehouden bijdragen: 1950-2*975= nihil) - netto houdt A over aan de vergoedingen: 2*468 = 936 Euro Totaal inkomenseffect voor A: -1014 Euro Kosten voor elk van de werkgevers: 975 Euro Conclusies: a) een negatieve aanslag is onder omstandigheden mogelijk (zie voorbeeld I) b) de negatieve inkomenseffecten voor A zijn het sterkst bij II: 1014 Euro negatief. De (vergoedings)kosten voor elk van de werkgevers zijn bij II lager dan bij I, namelijk 975 Euro in plaats van 1950 Euro. De fiscus krijgt steeds het bijbehorende maximum aan inkomensafhankelijk bijdrage: 1950 Euro. Maar de ontvangen loonheffing is lager bij II. Het merkwaardige is dat de wetgever in de MvT bij art. 50 stelt dat A zelf in de gaten moet houden of voor hem niet te veel inkomensafhankelijke bijdragen worden ingehouden en op grond daarvan een verzoek bij de fiscus tot vermindering/teruggaaf kan indienen (of doet indienen door een der of beide inhoudingsplichtigen). De fiscus beveelt dus te handelen volgens II alsof dit in het belang van A zou zijn. Het bovenstaande wijst echter uit dat I beter voor hem is (door te ontvangen hogere vergoedingen). NB. Een derde mogelijkheid is dat de inhoudingsplichtigen op eigen initiatief, na afloop van een jaar, maar voordat aan A een aanslag is opgelegd krachtens art. 50.1 en 50.2 een verzoek tot teruggaaf indienen van te veel afgedragen inkomensafhankelijke bijdrage. Er volgt dan – in dit geval – volgens de evenredigheidsmethode van art. 50 teruggaaf aan B en C (elk 975 Euro). Volgens art 50.6 komt deze teruggaaf de inhoudingsplichtigen toe en dus niet de verzekeringsplichtige (kennelijk omdat de wetgever van mening is dat deze immers reeds de te hoge inkomensafhankelijke bijdragen vergoed heeft gekregen). Nu doen zich echter problemen voor in de interpretatie van de relatie van art. 50 met art. 46 (over de toe te kennen vergoeding: wel of niet de vergoedingen achteraf nog verlagen in verband met de voor teruggaaf?) en art. 49.3 (bij de verrekening van reeds ingehouden bijdragen voor de vaststelling van de aanslag wel of geen rekening houden met de teruggaaf aan de inhoudingsplichtigen?). Mogelijk dat de Algemene Wet Rijksbelastingen of de Wet op de Loonbelasting daar iets over zeggen. Ik kwam er niet uit. Naar mijn mening leidt een teruggaaf van te veel ingehouden bijdrage aan slechts de inhoudingsplichtigen (op hun verzoek) na afloop van een jaar, zonder dat dit verdere doorwerking vindt in teruggaaf aan de verzekeringsplichtige werknemer of op een andere wijze tot verrekening wordt gebracht bij de eindaanslag van de bijdrageplichtige, tot ongerijmde nadelen voor de een of andere partij. Daarnaast speelt, zoals gezegd, de vraag of indien art 50.6 wordt toegepast niet tevens de reeds toegekende vergoedingen achteraf moeten worden gecorrigeerd. De MvT gaat op deze problematiek niet in. Wie het weet mag het zeggen. Ik merk voorts op dat: 1) de ZVW geen middelingsregeling kent en 2) ook geen voor- en achterwaartse verliesverrekening kent. Dit kan juist voor ondernemers en ZZPers van belang zijn indien zij middels bedrijfseconomische planning de effecten van het ontbreken van deze regelingen (enigszins) willen beperken. |
| Vorige discussie | Alles van deze discussie | Vandaag | Week | Maand | © Zorgwet.info |